2014 - Prinses Irene Brigade

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

2014

Laatste nieuws
september 2014

De webmaster had eind augustus 2014 een interessante ontmoeting met oud-veteraan van de PIB Burton Sanders.

Ik zou weer zo gek zijn!

Bij alle activiteiten van de VOSKNBPI is hij, soms vergezeld van echtgenote Edith, aanwezig. Hij is niet groot en kijkt met van die leuke pretoogjes door zijn brillenglazen de wereld in. Tijdens het gesprek bemerk je dat hij ondanks zijn hoge leeftijd nog steeds erg scherp is en over de nodige humor beschikt. Hanny Meijler schreef in 1984 het boek De mannen van de Irenebrigade en dat had als subtitel een uitspraak van Burton Sanders: Ik zou weer zo gek zijn! Wie is deze intrigerende veteraan?

Burton werd geboren op 1 maart 1925 in Amsterdam. Hij groeide op in een a-kerkelijk, welgesteld joods gezin dat bestond uit een Amerikaanse moeder, een Nederlandse vader die een commissionair in effecten was en een jonger broertje. Ze woonden in een grote villa nabij de Apollolaan in Amsterdam, tegenover de beroemde familie Stikker. Nadat hij de lagere school had voltooid ging Burton naar de HBS.

Met achterlating van hun bezittingen mocht het gezin, dankzij de Amerikaanse nationaliteit van de moeder, met toestemming van de Duitse bezetter Nederland in maart 1941 verlaten. Ze gingen met de trein naar Berlijn, vlogen naar Portugal en vervolgens vandaar per boot naar de Verenigde Staten. Hier moesten Burt’s ouders weer van onderaf beginnen. Burton: “Uit een groep van rijkaards kwam ik terecht in een groep emigranten en voelde geen enkele binding met die mensen. Ik wilde niet bij een groep horen. Ik was eenzaam en had moeite me aan te passen.”
“Hoewel ik de HBS nog niet had afgemaakt werd ik na een examen toegelaten op een technische hogeschool en koos daar voor de richting scheikundig ingenieur. In de avonduren en de vakanties probeerde ik wat bij te verdienen.”

Burton is een idealist en wilde vechten voor de bevrijding van Nederland. Meteen op zijn 18e verjaardag meldde hij zich aan als vrijwilliger bij het Nederlandse rekruteringsbureau, gevestigd in het consulaat in New York. (zie foto) Het hoofd daarvan, majoor Sidney van den Bergh (die later minister zou worden) beloofde hem, dat hij in Engeland ofwel ingezet kon worden bij de Scheikundige Dienst (Chemicak Warfare Service), onder de leiding van ene majoor de Boer, ofwel een officiersopleiding zou kunnen volgen. Tevens beloofde hij voor zijn ouders een kostwinnersvergoeding.

Twee weken later arriveerde Burton in de rekrutenkazerne te Guelph (Ontario) in Canada. Tot zijn geluk gaf de kazernecommandant hem tot juni 1943 verlof om zijn tweede studiejaar af te maken.
Eind augustus 1943 ging Burt samen met negen andere nieuwe rekruten op troepentransport naar Engeland. Ze kwamen aan in Glasgow en gingen vervolgens met de trein naar Londen, waar ze moesten wachten op de definitieve indeling. Burton: “Ik herinnerde diverse instanties aan de mij gedane belofte, officiersopleiding of ingedeeld worden bij de chemische dienst. Men zei dat deze dienst niet bestond, maar ik zei van wel. Kennelijk vond men mij lastig en zo werd ik ingedeeld bij de Irene Brigade in Wolverhampton.”

In oktober 1943 werd Burton ziek en meldde zich bij brigade-arts Boerma. Die dacht dat Burton simuleerde en stuurde hem weer terug op oefening. In de stromende regen en tot aan zijn enkels in het water moest hij een uur lang granaten gooien. De volgende ochtend was hij nog beroerder, maar de dokter stuurde hem weer mee op oefening. In het weekend mocht Burton naar het veldhospitaal en daar een nacht op bed liggen. Even later kwam dokter Zak, zag dat hij hoge koorts had en stuurde hem direct naar het ziekenhuis in Wolverhampton. Daar werd dubbele longontsteking en pleuritis geconstateerd. Dankzij de toen net ontwikkelde nieuwe sulfa drugkan Burton dit navertellen.

Na een revalidatie van twee maanden kwam Burton op oudejaarsavond 1943 terug bij de Brigade. Deze was intussen verplaatst van Wolverhampton naar Dovercourt, een voorstadje van de havenplaats Harwich. Na een treinreis van enkele uren arriveerde Burt laat in de avond. Hij kreeg meteen een strozak, en werd gedirigeerd naar een zolderkamertje in een huisje, met een klein lampje in het plafond, en één venstertje met een kapotte ruit. “Ik voelde me ongelukkig en verlaten, maar viel gelukkig snel in slaap. Van de volgende ochtend, dus Nieuwjaarsdag 1944, herinner ik me niets.“

Twee dagen later werd de brigade overgeplaatst naar Frinton-on-Sea, waar ze de kustbewaking moest uitvoeren. Burt en nog een aantal kameraden, die hij niet eerder had ontmoet maar met wie hij intussen kennis had gemaakt, werden ondergebracht in een verlaten school, waar in een lokaal ieder een eigen hokje met een bed erin kreeg om te slapen, afgedekt met een gordijn voor de privacy. Iemand maakte de opmerking “dit lijkt wel op een bordeel.” Burt had daar geen ervaring mee en kon hier dus niet op ingaan…. 

De arts had aangeraden hem een poos lichte dienst te laten verrichten om langzaam weer aan te sterken. Resultaat: hij werd aangesteld als corveeër: ’s morgens voor dag en dauw op, ’s avonds laat naar bed nadat de afwas gedaan was en de keuken weer opgeruimd…Dus het tegenovergestelde van lichte dienst. Gelukkig mocht hij snel daarna twee weken op zijn eerste verlof. Dit werd in London doorgebracht, waar kennissen van zijn ouders woonden en hij bij één van hen kon logeren. Hij herinnert zich dit als een uiterst plezierige tijd. 

Door tussenkomst van majoor Looringh van Beek (door Burt gekarakteriseerd als een “zeer aimabele officier”) werd hij in april 1944 ingedeeld bij de Brigade-Signals. Ongeveer tegelijkertijd verhuisde de brigade terug naar Dovercourt en begon Burt aan zijn opleiding als seiner. Dit hield in dagelijks behalve exerceren en wat lichamelijke oefeningen afwisselend de telefooncentrale bedienen en instructie in de Morsecode. 

Burton in zijn signalwagen

“6 juni kwam over de radio het nieuws van de invasie in Normandië, dus nu afwachten wanneer het onze beurt wordt om mee te doen.” Dit gebeurde exact twee maanden later: op 6 augustus 1944 werd de brigade ingescheept voor de overtocht en ging op 8 augustus aan land op de zgn. Sword Beach, het meest oost gelegen deel van het invasiegebied. En toen begonnen de seiners met hun eigenlijke werk: onderling contact tussen de verschillende legeronderdelen.
‘Als ik me goed herinner, kreeg elk z.g. verbindingsstation een identificatiecode, die dagelijks werd gewijzigd. Ook werd de onderling te gebruiken radiogolflengte dagelijks gewijzigd. Het contact tussen de seiners ging op verschillende manieren. Op korte afstanden ging het per aan de radio aangesloten microfoon, dus eigenlijk een telefoongesprek per radio. Op langere afstand en ook op korte afstand waar een code moest worden gebruikt (die ook dagelijks werd verstrekt) ging het per Morsecode. Seiners die niet in een wagen zaten, werden uitgerust met een zgn. Walkie-Talkie, een draagbare telefoon met een beperkt bereik. Later werd telkens wanneer we enige tijd (meerdere dagen, weken, of zelfs een paar maanden) op eenzelfde plek bleven, werden tussen units telefoonlijnen aangelegd en werden vaste telefoonverbindingen tot stand gebracht’  

De radioapparatuur van Burton
Na een gestadige opmars werd drie weken na de landing het eerste Franse stadje Pont Audemer door de brigade bevrijd. Daags daarna ging Burt samen met een kameraad zijn eerste echte (biefstuk) maaltijd genieten in het niet verafgelegen befaamde restaurant “Les Cloches de Corneville”. Dit heeft Burt 40 jaar later samen met een zakenrelatie nog eens herhaald!

Op 3 september volgde de uitbraak vanuit Normandië en zette de brigade de lange opmars in naar Paal, in België, dat vier dagen later werd bereikt. Behalve een korte nachtpauze, die hij slapend op de grond doorbracht op een plein in Airaines (nabij Amiens), zat Burton gedurende deze opmars continu aan de radio van zijn signalwagen. Ergens in Noord-Frankrijk kwam een Engelse ordonnans op zijn motor naast hem rijden, waarschijnlijk om een boodschap te overhandigen. Ineens een enorme knal en was de motorrijder op een naast de weg gelegen mijn gereden. Uit elkaar gescheurd, kermend van de pijn en naar zijn moeder roepend, stierf hij snel daarop, een geluk voor hem, maar voor Burt een verschrikkelijke, niet uitwisbare ervaring.De signalwagen van Burton was doorzeefd met granaatscherven en was de metalen beschermplaat zelfs van het generatorcompartiment geslagen. Gelukkig waren de inzittenden ongedeerd. Burton: “Met ons was niets gebeurd, behalve dat het potlood waarmee ik zat te schrijven opeens met de punt in mijn kin vastzat.” Na enkele uren haalden we de colonne in. De eerste reactie van de commandant van de Signals, de 1ste luitenant Van.O, was: “Gelukkig, de signalwagen is nog in orde.”

Na twee weken in de Belgische Kempen te hebben vertoefd, vertrok de brigade op 20 september richting Nederland. De bedoeling was bij de operatie “Market Garden” (slag om Arnhem) te worden ingezet. Ze kwam echter niet verder dan Nijmegen en werd toen teruggetrokken naar Grave voor bewaking van de brug over de Maas.
Ruim twee weken later volgden verplaatsingen door Nederland waaronder o.m. deelname aan de bevrijding van Tilburg, bewaking van Zeeuwse eilanden en een veldslag in de Bommelerwaard  bij Hedel, om uiteindelijk midden april 1945 in Vught terecht te komen. Wanneer de brigade in beweging was, zat Burt achter de radio in de signalwagen en gedurende het ettelijke perioden van rust achter de linies deed hij telefoondienst. Tevens had hij eenmaal een lang weekend en eenmaal een week verlof, beide doorgebracht in Brussel en verbleef hij enkele weken lang in een ziekenhuis ten gevolge van een langdurige aanval van ischias.

De dag nadat de Duitsers zich op 5 mei 1945 hadden overgegeven vertrok de brigade via Wageningen naar Den Haag, waar zij als eerste geallieerde troepen op 8 mei binnentrok. In de kazerne waar hij kwam te vertoeven, werd Burt belast met het bedienen van de telefooncentrale. Dit duurde tot en met zijn repatriëring naar de V.S., midden augustus 1945.

‘Al spoedig deed zich een incident voor: een Amerikaanse officier (Ik weet nog niet, hoe die aan mijn naam kwam…) stelde me voor over te stappen naar het Amerikaanse leger, om als majoor (!) in Duitsland als tolk te fungeren. Hij was erachter gekomen, dat ik vloeiend Engels sprak en ook, dankzij de HBS, behoorlijk Duits. Ik voelde er wel voor, maar ik kreeg geen permissie voor de overstap: ik was in de kazerne nodig als telefonist…’
In deze Haagse periode ging Burt op zoek naar zijn familie. ‘Daags na de bevrijding ben ik vanuit Rotterdam naar een nicht en haar niet-Joodse man in Schiedam gefietst. Van hem hoorde ik dat mijn oom, mijn tante en haar man en mijn twee neven in Amsterdam nog in leven waren. Ze hadden ondergedoken gezeten. Alle verdere familie was weg. Ik ging, helaas tevergeefs, ook nog op zoek naar ons in 1941 achtergelaten huisraad.’  

Burt: “Er waren nog meer teleurstellingen. Ten eerste de houding van vele Nederlanders die Burt sprak: “Jij hebt in de brigade een makkelijk leventje gehad, terwijl wij honger hebben geleden en zelfs “eigen teelt” moesten roken.” Verder het feit, dat ik, als soldaat, toegang tot een aantal betere restaurants werd geweigerd, die waren aan officieren voorbehouden. Hoe anders was het tijdens mijn verlofdagen in België, waar we in eetgelegenheden werden gefêteerd en soms zelfs vrijgehouden en ook in Engeland, waar ik intussen een weekje op verlof mocht.” Nee, Burt kon niet wachten om weer naar de VS terug te keren en ging dan ook niet in op een voorstel dat hij officier kon worden, mits hij voor een periode van drie jaar ging bijtekenen, om te beginnen voor Nederlands-Indië!

Midden augustus 1945 werd Burton afgemonsterd in New York, na een overtocht van zeventien dagen vanuit Rotterdam met zestien anderen op de ‘Tiba’ van de Holland- Amerika- Lijn. De kapitein deelde hen mee dat zij als niet-betalende passagiers, ondanks de lege kajuiten, in het ruim moesten verblijven. Onder toezicht van de bemanning mochten ze tweemaal per dag aan dek om te luchten. De maaltijden die ze zelf moesten komen halen, bestonden uit sardines met aardappelen of aardappelen met sardines.
Bij het verlaten van de dienst kreeg Burton driehonderd gulden. Daar moest hij echter nog wel even op wachten, omdat volgens het Nederlandse consulaat in New York zijn ouders geen recht hadden gehad op de kostwinnersvergoeding, aangezien Burton voor hij in dienst ging geen volledige baan had. Die driehonderd gulden werden ingehouden als eerste afbetaling. 

Burton liet het er niet bij zitten en schreef een brief aan de koningin. Zes weken later ontving hij driehonderd gulden en een telefoontje van het consulaat. “Het was ook wel in orde gekomen zonder de koningin hierbij te betrekken,” werd erbij verteld. Later kreeg hij nog een kleine, maar zeer gewaardeerde bijdrage om zijn studie af te ronden.
In 1947 haalde Burton zijn graad ‘Bachelor of Chemical Engineering’ (iets tussen ing. en Ir.) en werd als beroepsingenieur geregistreerd.
In 1959 stuurde zijn toenmalige Amerikaanse firma hem naar Europa voor een marktonderzoek en zo kwam hij ook weer in Nederland terecht. Tijdens een van zijn vaste ontmoetingen met een oude maat van de Irene Brigade leerde hij in 1966 zijn vrouw Edith kennen.

Er moest Burton nog iets van zijn hart over die periode: ‘Op de Nederlandse ambassade in Washington werd mij toentertijd bevestigd, wat ik al eerder had vernomen: dat ik kans liep om in Nederland te worden opgeroepen voor militaire dienst. Formeel was ik nl. nog niet voor mijn nummer opgekomen. Mijn tegenwerping dat ik tussen 1943 en 1945 bij de Irene Brigade had gediend, telde niet. “Dat was immers als vrijwilliger!” werd er gezegd. Als reactie daarop zwoer ik meermalen geen voet meer in Nederland te zetten en nu woon ik er weer, al sedert ruim 30 jaar.’

Tijdens de 70-jarige D-day herdenking in Normandië dit jaar maakte Burton en Edith kennis met koning Willem-Alexander en koningin Maxima. ‘Dat was heel bijzonder. De koning is de vierde generatie van ons vorstenhuis met wie ik kennis heb gemaakt, dat heb ik hem ook verteld. De koning antwoordde hierop: “Jammer dat ik onze dochters niet heb meegebracht, want dan had u met de vijfde generatie kennis kunnen maken”.’
Terugkijkend op zijn periode met de Prinses Irene Brigade zegt Burton afsluitend: "Als ik weer jong was en er kwam weer oorlog, dan zou ik weer zo gek zijn." Hanny Meijler bespeurde het dertig jaar geleden al goed........

september 2014

Jaarlijkse herdenking bij gedenkteken in St. Joris-Winge

In mei 2009 werd er onder impuls van de webmaster van deze website Richard van de Velde, zoon van een voormalig lid van de Prinses Irene Brigade, in samenwerking met de Belgische gemeente Tielt-Winge, een oorlogsmonument opgericht nabij de kerk van St. Joris-Winge, voor de drie aldaar gesneuvelde leden van de Prinses Irene Brigade Anthoon Bonte, Anton Bijlsma en Henk de Groot.
Historicus Jo Peeters en zijn vrouw Sofie wilde hun gedachtenis en offer in hun dorp niet ongemerkt voorbij laten gaan en willen vanaf dit jaar een jaarlijkse herdenking organiseren.


De herdenkingsplechtigheid vond plaats op zaterdagavond 6 september 2014. Om 18.00 u. kwam men samen voor de kerk van St.Joris-Winge. Langs de sociale netwerken hadden ze via het "Huis van het Belgisch-Franse Verzet" een oproep gedaan naar hun bevriende groepringen, een groep van fijne mensen die het in ere houden van ons historisch erfgoed hoog in het vaandel dragen. De Nationale Strijdersbond, afdeling Tienen, waren met hun vaandels aanwezig. Stefaan Hackelbracht, combatpiper vertegenwoordiger van het Seaforth Highlanders Regiment, luisterde de plechtigheid op met zijn bagpipe. Ook waren er veel leden van living history groeperingen uit de randgemeenten paraat op het afgesproken uur.

Ondanks dat de gemeente deze herdenking niet ondersteunde, kwam burgemeester Rudi Beeken van Tielt-Winge langs en richtte een woordje van lof en dank voor het initiatief. Na zijn toespraak en die van organisator Jo Peeters, werden er bloemen neergelegd door het Huis van het Belgisch-Franse Verzet en de delegatie van de Nationale Strijdersbond, afdeling Tienen.

Tijdens deze bloemlegging bracht de combatpiper "Amazing Grace" ten hore, een emotioneel moment…
Na de bloemlegging werd de nodige eer betoond met een eresaluut en de Last Post en werden werd het Nederlandse volkslied en het Belgische volkslied ten gehore gebracht.
Vervolgens werd iedereen uitgenodigd zich te begeven naar het punt op de Leuvensteenweg, aan de rand van het dorp, waar exact 70 jaar geleden de tragedie zich had voltrokken. Daar er op de plaats waar Henk, Anton en Anthoon aangeschoten werden door de Duitse artillerie en een Duitse tank, geen gedenkteken staat, besloten ze deze plaats toch even een "teken" te geven. Voor de plechtigheden werd er een wit kruisje geplaatst door Jo Peeters, met een klein opschrift rond de feiten die er 70 jaar geleden waren gebeurd. Ook hier werd er door Sofie, uit naam van alle aanwezigen, een krans neergelegd bij het kruis, opgeluisterd door de tonen van de bagpipes.
Ter afronding werd er een eresaluut gebracht onder de bugeltonen van de Last Post.




Zie hier het indrukwekkende terugblik op deze ceremonie.

Webmaster Richard van de Velde heeft enorm veel waardering voor de manier waarop Jo en Sofie Peeters deze herdenking georganiseerd hebben en heeft toegezegd volgend jaar bij de plechtigheid aanwezig te zullen zijn.



Juni 2014


70-jarige D-day herdenking in Normandië 2014

  

Onder bezielende leiding van 'The lady of the forces' Nelleke Swinkels en LKol. der Fuseliers Henk Laurens togen woensdag 4 juni 2014 achtendertig personen, waaronder zeven veteranen van de Prinses Irene Brigade (waarvan vijf met vrouw!), richting Normandië om daar de 70-jarige herdenking van D-day mee te maken. Na een regenachtige reis werd het gezelschap 's avonds met enig oponthoud warm onthaald in het tentenkamp van de Charly-Compagnie 17 Pantserinfanteriebataljon Garderegiment Fuseliers Prinses Irene, die net buiten Arromanches gelegerd was. Hier werd het diner geserveerd, dat werd afgesloten met de gebruikelijke Calvados-borrel. Het statige, aan de rand van het stadje gelegen, hotel Les Villas d'Arromanches zou het verblijf worden voor de komende drie nachten.

  

's Morgens 5 juni werd er een bezoek gebracht aan het Arromanches Circulair Cinema 360, waar de indrukwekkende film Normandy 100 days werd vertoond. Op de nabij gelegen heuvel was er een prachtig uitzicht over het strand van Arromanches. Met deze historische achtergrond werden de nodige foto's van de veteranen genomen.
Na veel files en via de beroemde, maar helaas vernieuwde, Pegasusbrug werd uiteindelijk met veel vertraging Breville bereikt. Dit was de plaats waar de brigade hun eerste vuurdoop kreeg en de eerste twee brigadeleden sneuvelden in deze zgn. Hell-Fire-Corner. De bus stopte voor het monument ter nagedachtenis aan het verblijf van de brigade aldaar. Het gezelschap nam plaats op de stoelen die al klaar waren gezet voor hen. Na speeches van de Nederlandse militaire attaché uit Parijs, de plaatselijke burgemeester en Rudi Hemmes, volgde de gebruikelijke kranslegging.

  

Rondom het voormalig hoofdkwartier van de Brigade, nabij Chateau St. Come, werd de lunch genuttigd en daarna kreeg een RTL-reporter de mogelijkheid Tony Herbrink te interviewen voor een journaal-item. Vervolgens werd Tony, nog even enthousiast, geïnterviewd door een verslaggever van NRC-handelsblad.
Vervolgens ging het gezelschap weer terug naar het monument en werd ter afsluiting door een medewerker van de NIMH aan de toehoorders een uitvoerig militair verslag gegeven van de gebeurtenissen destijds. Hij werd daarbij telkens onderbroken door meldingen dat Prins Charles voorbij zou komen. Die kwam inderdaad voorbij suizen, een 91-jarige Schotse veteraan die twee uur bij 'zijn' monument op hem had staan wachten, negerend. Een gecombineerde Engels-Amerikaansee parachutistenshow in de buurt kon deze schande echter niet meer wegpoetsen.
Een barbecue in de tuin van het hotel sloot een drukke dag af.
Diezelfde nacht stonden oude legervoertuigen honderden meters lang in een file richting het strand. Toen de webmaster en zijn vrouw in alle vroegte gingen kijken, bleken ze al op het strand te staan, maar nu vergezeld van enkele landingsvaartuigen en tanks. Hoe anders zou dat er 70 jaar geleden hebben uitgezien?

 

De bewuste 6 juni 2014 werd er 's morgens op het stadsplein aan de kust in Arromanches grote publieke belangstelling w.o.'onze' veteranen en de rest van ons gezelschap, de 70-jarige herdenking van D-Day gehouden. De herdenking had grotendeels een nationaal karakter. Er nam weliswaar een compagnie met vaandel van het Franse 3e Regiment Genie deel, maar Nederland werd vertegenwoordigd door militairen van de C-Compagnie 17 Pantserinfanteriebataljon Garderegiment Fuseliers Prinses Irene, de Vaandelwacht van Garderegiment Fuseliers Prinses Irene en detachementen van 11 Luchtmobiele Brigade, Marine Luchtvaartdienst (MLD) en het Korps Mariniers.
Tijdens de plechtigheid werden er verschillende kransen gelegd door o.a. het Koningspaar en ZKH prins Jaime de Bourbon de Parme, minister-president Rutte en Minister van Defensie Hennis -Plasschaert, dhr. Hemmes namens de veteranen van de Prinses Irene Brigade en een veteraan namens de MLD. De indrukwekkende plechtigheid werd afgesloten met een fly-by door een Nederlandse B-25 Mitchell bommenwerper en een Spitfire jachtvliegtuig. Na de herdenkingsplechtigheid was er een gezamenlijke lunch met het Koningspaar en genoemde Nederlandse Tweede Wereldoorlog veteranen en hun begeleiders.

  

's Middags was er de grote internationale herdenking in Ouistreham, waar alle grote regeringsleiders ook aanwezig waren. Tussen de ca. 8000 genodigden zaten ook de veteranen van de Prinses Irene Brigade met hun begeleiders. In de smoorhete zon trok een wervelende show aan hen voorbij. ZKH Prins Jaime toonde zich letterlijk een goede beschermheer van de Brigade door de dorstige delegatie van de Brigade op de tribune van de nodige glaasjes water te voorzien. Hoogtepunt van deze twee uur durende ceremonie was toch wel de verbroedering tussen een Franse commando en een Duitse parachutist die elkaar emotioneel in de armen vielen. Het was een mooi gebaar van vrede en van toekomst.

 v.l.n.r.: Burton Sanders, Frans van der Meeren, Rudi Hemmes, Karel Zwart, Gabriel Parel, Max Woff, Tony Herbrink

Zaterdagmorgen 7 juni werd de thuisreis aanvaard en werd er in Pont Audemer een tussenstop gemaakt om daar een herdenkingsceremonie bij te wonen in de voortuin van het gemeentehuis van Pont Audemer, het eerste Franse stadje dat de Prinses Irene Brigade in augustus 1944 had bevrijd. Vaandeldragers, de Vaandelwacht van Garderegiment Fuseliers Prinses Irene en de Band of Liberation stonden al klaar en de burgemeester heette iedereen persoonlijk welkom. Na speeches van de burgemeester, legeraalmoezenier bd. Jan van Lieverloo en veteraan Rudi Hemmes, volgde de kransleggingen. Ter afsluiting volgde er in het gemeentehuis nog een gezellig samenzijn, onder het genot van champagne en een borrelhapje. In de bus aangekomen vertelde veteraan Tony Herbrink via de intercom aan de inzittenden hoe hij hangend aan een Belgische tank met zijn peloton net buiten dit stadje werd afgezet. Hij was er nog maar net of hij hoorde dat de bruggen in het stadje door de Duitsers werden opgeblazen. Huis voor huis moest worden uitgekamd op aanwezige Duitse soldaten. Enkele werden daarbij krijgsgevangen gemaakt. Tony benadrukte nog eens dat hij zeker wist dat zij de eersten waren die dit stadje hadden bevrijd.
Na een heerlijk slotdiner in Hotel Van der Valk in het Belgische Nazareth, werden Nelleke en Henk terecht nog even in het zonnetje gezet en nam het gezelschap afscheid van elkaar. In een korte tijd waren er innige contacten ontstaan en een ieder keek met veel genoegen op deze reis terug. Respect verdienen de zeven veteranen voor hun uithoudingsvermogen en nimmer aflatende betrokkenheid bij alle festiviteiten. Voor de webmaster en zijn vrouw een reis om nooit meer te vergeten!  
De NOS verzorgde 's middags 6 juni 2014 een uitgebreide tv-uitzending over de diverse ceremonies langs de Normandische kust. Vooral van de ceremonie in Arromanches zijn veel beelden van de veteranen van de Prinses Irene Brigade te zien:


Ook Omroep Brabant schonk in twee items in Onder Ons aandacht aan de veteranen en de C-compagnie in Arromanches:

Item 2 (Tony Herbrink wordt hierin per abuis Tonny Helbrink genoemd...)


 januari 2014


Beschermheer Prins Jaime de Bourbon de Parme


Eind 2013 zochten Brigadegeneraal Arie Vermeij en generaal-majoor b.d. Rudi Hemmes, namens de vereniging van Veteranen GFPI, via H.K.H. Prinses Irene de toestemming om haar zoon Prins Jaime te vragen beschermheer van de VVVGFPI te worden. De prinses stemde in en het verzoek werd in overweging genomen. Prins Jaime werd uitgenodigd en was aanwezig op de Regimentsverjaardag van 10 januari 2014 en voerde zeer open en ontspannen gesprekken met oude en jonge veteranen. De kennismaking met het bestuur vande VVVGFPI verliep in een gemoedelijke sfeer en middels een persbericht werd duidelijk dat Prins Jaime het beschermheerschap heeft aanvaard. 
Prins Jaime werkt bij het ministerie van Buitenlandse zaken in Den Haag en wordt in de zomer van 2014 de Nederlandse ambassadeur bij het Vaticaan.
Het bestuur van de VOSKNBPI (v.l.n.r. Tony Herbrink, Frans van der Meeren, Prins Jaime en Rudi Hemmes)
 
Zoeken
Copyright 2016. All rights reserved.
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu