Aanvullingstroepen - Prinses Irene Brigade

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Aanvullingstroepen

Wolverhampton > Aanvullingstroepen
De  Aanvullingstroepen: van het strand tot Bergen op Zoom
De  Aanvullingstroepen of zoals de officiële Engelse aanduiding luidde:  Reinforcement Unit, vormden de reserve van de Brigade. De verliezen werden  aangevuld met personeel van majoor Looringh van Beeck ("Oom Paul"). Deze was  hier in eerste instantie niet zo heel gelukkig mee, daar hij liever een eerste  instantie niet zo heel gelukkig mee, daar hij liever een gevechtstaak zou hebben  gehad. Dit werd echter niet toegestaan in verband met zijn leeftijd: hij was  geboren in 1895.
Op 31 juli 1944  selecteerde de majoor in het kamp Wrottesley  Park te Wolverhampton een groep, die geschikt kon worden geacht aan de komende  veldtocht deel te nemen. Deze 90 mannen vertrokken naar Narborough, waar de rest  van de Brigade op dat moment verbleef.
Overtocht  op de Ocean Angel

Op 4 augustus  gingen zij aan boord van de "Ocean Angel". Aan boord bevond zich ook de "advance  party" (de kwartiermakers) onder leiding van de majoor van Wijck. Om  12.30 uur  lichtte het schip het anker. Bij Southend echter, moest de boot blijven liggen  omdat het convooi eerst moest verzamelen.  Daar kwam op het allerlaatste moment de oorlogscorrespondent  Robert Kiek aan boord.

Op 6 augustus  werd Frankrijk na een zeer rustige zeereis, bij zeer mooi weer, bereikt. De  mannen werden ontscheept in de kunstmatige haven bij Courseulles sur Mer. De  Britse beachmaster was stomverbaasd om de Reinforcement aan te treffen voordat  de Brigade zelf was geland. Eigenlijk onnodig te vermelden dat dit natuurlijk  tot groot plezier was van  majoor Looringh van Beeck. De  Aanvullingstroepen werden op 8 augustus ondergebracht  bij het 104de Corps Receptioncamp te Cresserons. Van daaruit vertrekt enkele  dagen later kapitein  Moelands met 13 man naar de tweede Unit, nadat het bericht  was binnengekomen dat majoor Molenaar gewond was geraakt. Voordat de  Reinforcement op 20 augustus weer vertrok, waren ook nog andere vervangers naar  de Brigade gezonden. De nieuwe standplaats werd de 45ste Reinforcement  and Holding Unit in Vauceulles nabij Bayeux. Hier werden ze op 23  augustus ingekwartierd, na een kort verblijf in tenten in Grentheville.

Op 25 augustus  vertrok majoor Looringh van Beeck naar Engeland in de Dakota van Prins Bernhard.  Zijn opdracht was om zoveel mogelijk versterkingen te gaan halen. Ten koste van  alles moest worden voorkomen dat de Brigade uit de actie zou worden genomen.  Looringh besloot "om alle bureaus uit te kammen, tot zelfs de gevangenis in  Dundee toe". Op 2 september inspecteerde hij zijn tweede contingent, dat uit 55  man bestond, in Wrottesleypark. Enkele dagen later vertrokken ze, uitgezwaaid  door minister-president Gerbrandy. In de avond van 6 september kwamen de nieuwe  versterkingen in het Britse kamp aan.
De volgende dag  begonnen de verplaatsingen. Op 9 september  overschreed de Compagnie Aanvullingstroepen de Frans-Belgische grens. Daarna naar Brussel  en via Leuven en Diest, achter de Brigade aan, naar Beringen. Op 12 september  werd in de bossen bij Helchteren een bivak opgeslagen,  na eerst twee nachten in tenten bij Beringen te hebben doorgebracht. Looringh  van Beeck vertrok naar Bayeux om daar een nieuw  contingent uit Engeland op te pikken. Bij zijn terugkeer vertrok de Reinforcement  naar Tessenderloo (l 9 september).

Op 24 september  overschreden ze in marscolonne de Nederlandse  grens. Na tweemaal onder mortiervuur te hebben gelegen,  waarbij geen gewonden vielen, arriveerden ze 's avonds in Teersdijk, ten zuiden van  Nijmegen. In de daarop volgende  dagen evacueerden soldaten van de Reinforcement ruim 400 ouden van dagen die nog in de  schuilkelders van Nijmegen zaten.  Hierbij werden zij vele malen gehinderd door zwaar vijandelijk vuur. Tot hun  vertrek uit Teersdijk, op 12 oktober, werden de Aanvullingstroepers enorm geholpen door de Irish Guards. Van hen  kregen zij hun rations en andere  benodigdheden.
Je kunt niet  zeggen dat het daar een bepaald veilige plek was, want toen ik er arriveerde ik  was n.l. overgeplaatst van Brig. H.Q. naar de aanvullingscompagnie- om me te  melden bij oom Paul., kwam die uit een barak rennen en riep me toe: " Niks  uitpakken Soos, want we gaan hier weg, want  hoor je dat mitrailleurvuur?
De  Duitsers  zijn het kanaal bij Meyel overgestoken en rukken deze kant op, we gaan weg". Dus wij weg  naar een bosperceel west van Deurne. De volgende dag toen we hoorden dat de  vijandelijke opmars gestopt was, zijn we weer naar het kamp  teruggekeerd.


Tekening  van  Herman van den Bosch (bron:  www.hermanvandenbosch.nl)

Op 12 oktober  vertrok Looringh van Beeck voor een bespreking in Brussel. Daar krijgt hij te  horen dat zijn Reinforcement-troepen  moeten worden ondergebracht in een voormalig  kamp van de Duitse Arbeidsdienst. Meteen na de bespreking  begon hij met de verplaatsing van de troep naar het bewuste  kamp Vreewijk, bij Deurne. Op hun route ligt het plaatsje St.Anthonis. Daar werden ze  opgehouden door de Duitse acties bij Overloon. Ze arriveerden de volgende dag.
De Duitse linies bleken slechts zo'n  drie kilometer verderop,  ten oosten van Liesel te liggen. Looringh noteerde:"onze positie niet gunstig. Geen ondersteunende troepen en wapens. Het kader  blijkt meestal shell-shocked".

Op 14 oktober  arriveerde majoor Beelaerts van Blokland  met orders van de Brigade. Er moest  worden begonnen met  de opleiding van rekruten (vrijwilligers uit de bevrijde  gebieden, onderduikers etc.). Hierop legde majoor Looringh van  Beeck op eigen  initiatief contact met de Engelsen in het Belgisch militaire kamp Leopoldsburg.  Hij kreeg wapens en  uitrusting toegezegd. De situatie in Vreekwijk werd  intussen  steeds ongunstiger. Op 20 oktober stroomde het kamp vol  met  burgervluchtelingen. De volgende dag werden deze naar  Someren, Lierop en  Maarheze gebracht.

Op 29 oktober  gaf Looringh de opdracht om alle voertuigen en manschappen  te evacueren. Alleen  de majoor, zijn chauffeuroppasser en  enkele onderofficieren bleven achter. De  Engelsen gingen  namelijk weer een poging wagen de Duitsers te verdrijven.
Mocht dat  lukken, dan wilde de majoor in het bezit blijven van het kamp. De gebouwen  werden zeer hevig beschoten, maar de mannen bleken in hun loopgraven veilig te  zijn. Op oktober brak de Duitse weerstand tenslotte. Er werden nóg 18  krijgsgevangenen gemaakt, die aan het Engelse hoofdkwartier  werden overgedragen. Looringh van Beeck ontving een fles whisky als beloning.
'In Burg Leopold werden wij in militaire kleding gestoken. We werden ingedeeld  bij de Brigade en gelegerd in de paardenstallen van het Belgische kamp. En  jongens wat was het koud..'
In oktober 1944  begon de rekrutering van vrijwilligers in het Belgische Sint-Nicolaas door de majoor-arts  Boerma en Koos Rijkens. Die vrijwilligers kwamen voornamelijk uit Frankrijk en  België, waar zij door de Duitsers verplicht tewerkgesteld waren voor de zogenaamde  Organisatie Todt.
Dokter Boerma  keurde ze lichamelijk en geestelijk en Rijkens onderwierp ze aan een fysieke test en  ging, voor zover dat mogelijk was, hun "politieke antecedenten" na. Op  31 oktober werden op kamp Leopoldsburg de eerste rekruten ontvangen. Met een sterkte  van ong. 80 man werd in daar een opleiding  begonnen. Duur van de opleiding was ongeveer 8 weken.
Na overleg  met de Brigadestaf en door bemiddeling van de Engelse liason-officier werd op  15 december te Bergen op Zoom een school, een H.B.S., betrokken. Twee weken  laten arriveerden daar de eerste rekruten uit Leopoldsburg die weer onmiddellijk  werden doorgezonden naar Middelburg, waar het hoofdkwartier van de Brigade lag.
In januari 1945  trokken Boerna en Rijkens naar Nijmegen, waar ook een ploeg van ongeveer 100 man werd  aangetrokken. Op 15 januari  was een handboek voor de instructie gereed gekomen. Hierin vonden de  instructeurs van de Compagnie Aanvullingstroepen de richtlijnen om, volgens de  Engelse beginselen, hun rekruten binnen de maximale termijn van tien weken op te  leiden. Men wilde hiermee een eenheid in instructie bereiken. Hoofdinstructeur  was toen de 1ste luitenant J.H.Jansen.

Klik hier voor de herinneringen van 'aanvuller' Henk van Beers

'Steentjes was sergeant-instructeur van mijn opleidmgspeloton in Bergen op Zoom,  maart/april1945  Bij ons duurde de opleiding geen 10 weken. Sergeant Steentjes  en zijn collega s  kregen de "vererende" opdracht om ons peteton klaar te stomen  binnen 7  weken (ikzelf maar 5,5 week), omdat we al snel operationeel moesten  zijn. 's Middags voor de landing in Hedel werden we ingedeeld en sommigen gingen  nog dezelfde nacht mee over met de eerste boten. Over personeelstekort  gesproken!'
Tot op dat moment,  begin januari 1945, waren de Aanvullingstroepers dus over drie verschillende  plaatsen verspreid. Vreekwijk,  Leopoldsburg en de HBS in Bergen op Zoom. In deze situatie kwam verandering toen majoor  Looringh van Beeck besloot om de eerst door de Duitsers bezette Cort  Heijligers-kazerne te gaan gebruiken. Om te voorkomen dat de Engelse troepen de  kazerne voor zich zouden opeisen, veranderde hij de naam. Hij liet de metalen  letters waarmee de naam op de muur stond, verwijderen en stelde met dezelfde  letters de naam "Prinses Irene Kazerne" samen. De letters die hij hiervoor te  kort kwam liet hij door een plaatselijke smid bijmaken. Vanaf 26 februari was de reinforcement op een vaste plaats gelegerd. Deze  opleiding duurde rond de acht  weken.
Ook werd een groep van 16 man gevormd voor  een te volgen opleiding voor officier. Deze groep van a.s. officieren ging vervolgens een cursus volgen aan de militaire academie in Sandhurst (Eng.). R. Hemmes en E. Pannenborg maakten hier  o.a. deel van  uit.

Op 16 maart  bracht koningin Wilhelmina een bezoek aan de troep.
In maart 1945  werden in Eindhoven en Maastricht twee groepen van respectievelijk  80 en  120 man gerekruteerd die ook hun militaire vorming in Bergen op Zoom  kregen. Verder kwamen nog zo'n 100 man uit West-Brabant en Zeeland de brigade  versterken. De Compagnie  groeide uit tot zo'n 1000 man. In dezelfde maand werd hiervan een groot  aantal naar de Brigade gezonden ter vervanging van de Mariniers, die begin april  vertrokken. En menigeen van  hen kreeg "op de valreep" nog de vuurdoop bij Hedel.

'Enkele namen  schieten mij nog te binnen van brigademakkers, die er toen deel van uitmaakten,  Bob Kelderman, Jan Jansen, Henk Moelands,
Fons Wijnen,  Dick Vettewinkel, Sam Ritmeester, Nico Burgers, Jac van Golen, Huub van Oort,  Pietje Loyen, Colet, De Douwe, Ferguson e.a. '

Bij het vertrek van die vervangers uit Bergen op Zoom vond op de  kazerne een grote parade plaats waarbij o.a. ook de Brigade-commandant,  kolonel De Ruyter van Steveninck, aanwezig was. Een pipeband van de Seaforth  Highlanders was van de partij en speelde de Brigademars.
Op 6 mei  vertrok majoor Looringh van Beeck naar Wageningen waar hij vernam dat de  Compagnie Aanvullingstroepen niet aanwezig mocht zijn bij de intocht in Den  Haag. Hij was hierover zeer verbitterd en heeft deze beslissing nooit kunnen  begrijpen.
Ter gelegenheid van de  capitulatie van Japan werd in  Brussel een grote  parade gehouden. De Brigade, die in mei Den Haag binnentrok, was in augustus  1945 niet meer in staat een afvaardiging te sturen. Velen gingen of waren al  naar huis. Daarom werd een beroep op Oom Paul gedaan. Indrukwekkend was het  aantal niet. Het geheel keeg de sterkte van een compagnie met enkele tamboers en  hoornblazers.
Bij de  ontbinding vond natuurlijk ook een reorganisatie van de Reinforcement plaats. Het  werd gevormd tot het Garde Infanterie Depot, dus de Jagers, Grenadiers en Irene.  Een samenvoeging van de emblemen van deze onderdelen werd gebruikt als wapen van  dit depot. Als luitenant-kolonel bleef Looringh  van Beeck commandant tot mei 1946.

In oktober 1944 was er, door de talrijke gewonden, weer dringend behoefte aan aanvullingstroepen. Uit Frankrijk, België en het zuiden van Nederland waren veel dienstplichtige Nederlanders en oorlogsvrijwilligers beschikbaar gekomen.  Doordat de Brigade inmiddels in de omstreken van Grave bivakkeerde, waren de  aanvoerlijnen te lang geworden. Men vond een voormalig arbeidsdienstkampje in  Vreewijk bij Deurne in de Peel. Daar het te dicht bij de frontlinie lag, werd  het kamp tijdelijk verlaten voor een perceel bosgrond in de buurt van Helmond  dat voorlopig als bivak diende. Toen het Duits offensief stokte keerde men er  onder leiding van majoor  Looringh van Beek en de toegevoegde majoor Beelaerts van Blokland  weer terug. Laatstgenoemde  hield zich, op eigen verzoek, tijdelijk bezig met het aanvullingsdetachement en de organisatie van  de opleiding van nieuwe rekruten in Vreekwijk. Hij verwachtte dat van een brigade  op sterkte meer invloed bij de Engelse beleidsmakers kon worden afgedwongen. Hij  kreeg echter amper de kans om dit de verwezenlijken, want  in november 1944  werd hij op verzoek van Prins Bernhard overgeplaatst naar de staf van de  Bevelhebber Nederlandse Strijdkrachten in Brussel. Daar de Brigade van Grave weer  naar Tilburg werd gedirigeerd, werd Vrekwijk weer ingeruild voor Leopoldsburg in België. Na  een zes weekse opleiding ging de compagnie naar een H.B.S.-school in Bergen op Zoom.
Op 26 januari 1945 betrok de commandant Looringh van Beek in  laatstgenoemde plaats de Cort  Heiligers kazerne, die weldra werd omgedoopt in de 'Prinses Irene'-kazerne om de  Engelsen te dwarsbomen, die door de kou gedwongen, ook op zoek waren naar een  'vast' onderkomen.  De commandant maakte van de beschikbare letters op de  gevel de naam Prinses Irene Brigade. De ontbrekende letters bestelde hij bij de  plaatselijke smid. Dit werd de laatste oorlogsmaanden het opleidingscentrum voor  oorlogsvrijwilligers (O.V.W.) van  de Irene Brigade.
   
Parade in Bergen op Zoom van  oorlogsvrijwilligers        

Leren aardappelen schillen
 
Zoeken
Copyright 2016. All rights reserved.
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu