Dagboekpassages Hell Fire Corner - Prinses Irene Brigade

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Dagboekpassages Hell Fire Corner

Normandië
Annebault, 23 aug. 1944. 09.00 uur.

Gisterenavond om 8 uur vertrokken wij naar Pont L'Eveque, een provinciestad aan de rivier de Touques. Onderweg werden we weer eens diep getroffen door de grondige verwoesting, die de moderne oorlog kan aanrichten: het kleine dorpje Bavent, dat volkomen vernield was, maakte reeds een droeviger indruk, maar de stad Troarn, die wekenlang in de frontlijn had gelegen, spande toch de kroon. Het was bepaald weldadig om 10 km. verder uit het naargeestige gebied van ruïnes te geraken: de stad Dozulé, waar we bij het invallen van de duisternis doorheen trokken, zag er tenminste redelijker uit; ongeveer 40 % van de huizen was nog bewoonbaar.
Het plan was geweest de nacht door te brengen in La Haie Tondue, vlak buiten Pont L'Eveque, maar dat ging niet door, omdat de voorhoede van onze divisie veel meer tegenstand om laatstgenoemde stad had ondervonden, dan verwacht was; de Moffen, hielden namelijk taai stand, om de bruggen in de stad op te blazen en onze opmars zoveel mogelijk te vertragen. 
Wij werden dus tot ongeveer middernacht opgehouden en kregen opdracht onze kampen op te slaan in de velden aan weerszijden van de weg; terloops werd ons nog even gewezen op het gevaar van mijnen en achtergelaten „snipers." Dit klonk wel bemoedigend, want intussen was het volslagen donker geworden, terwijl het bovendien begon te regenen.

Voorzichtig en geluidloos gingen we naar de veldjes en richtten ons kampement in, zeer benieuwd om te zien hoe het geheel er overdag uit zou zien. Het viel echter nog al mee, want vanmorgen bleek, dat we onbewust de hand hadden gelegd op een aantal comfortabele boomgaarden; en nu belooft het zonnetje door te komen, zodat we over enkele uren misschien zelfs onze natte spullen kunnen drogen.

24 aug. 1944.

15.00 uur. Er is weer activiteit te bespeuren, na een dag van betrekkelijke rust, waarin we de kans kregen wat contact te leggen met de plaatselijke bevolking. Wat geldt voor de huizen, gaat evenzeer op voor de mensen in deze streek; zij zijn lang niet zoveel beschadigd door de oorlog als de bewoners van de kuststrook; ik bedoel dit natuurlijk geestelijk — zij zijn zeker niet apathisch, integendeel. Hun haat tegen de Duitsers is heftig en diep. De boer van ons boomgaardje was buitengewoon verbitterd. Toen we hem vroegen, waarom, kregen we het eerste gruwelverhaal  te horen sinds ons verblijf in Frankrijk; hij vertelde namelijk hoe zijn oudste zoon in 1940, door de Moffen zolang met zijn hoofd in een emmer water was gehouden, totdat hij den geest had gegeven; dit om zijn vader, die geweigerd had Duitse soldaten water te geven, een lesje te leren.
Een uur geleden kwam er een waarschuwingsbevel binnen, om ons voor te bereiden op een verdere verplaatsing; tevens werd de brigade daarbij onder commando gesteld van de „5th Parachute Brigade" wat veelbelovend klinkt, omdat dit onderdeel bekend staat als een „stel taaie knapen", dat voor het opknappen van lastige werkjes gebruikt wordt.
Als voorlopig concentratiegebied zullen we Pont L'Eveque gebruiken.
 
Een ander schreef:
 
"Ik droomde met de schokkende bewegingen van de truck mee, die soms door kuilen reed en dan weer door het weiland hobbelde, als een bomtrechter het voortgaan over de weg totaal onmogelijk maakte.
Langs de weg stroomde de Orne, waarover we in zo menig legerbericht hadden gelezen. Het bleek slechts een smal riviertje te zijn vooral als het eb was. Dan was het niet meer dan een diepe geul. Aan de overkant vuurde onafgebroken het geschut. Soms werd het vuur beantwoord. Dan namen de granaten grote stukken van de populieren mee, gevaarlijker voor ons dan de projectielen, omdat het vuur ver naar achteren gericht was, misschien op het hoofdkwartier.
 
We zwommen veel, als we geen wacht hadden. Er stond een sterke stroom en we hadden er plezier in ons kilometers ver mee te laten drijven en dan te trachten tegen de stroom in terug te zwemmen.
Na enige tijd namen we de stellingen over van Engelse luchtlandingstroepen. Ze hadden, dodelijk vermoeid als ze waren, alles gelaten zoals het was. In de schuttersputten en eromheen lagen half leeg gegeten blikjes, patroonhulzen, lege sigarettendoosjes, om alleen de netste dingen nog maar te noemen. Zelfs lag er ergens, half onder het zand bedolven, een vergeten geweer.
Er was niet veel actie die eerste, hete dag. Zo nu en dan gierde een granaat voorbij en hoefden er wat scherven van slecht gericht mortiervuur.
 
De majoor kwam langs om te inspecteren en instructies te geven. Op een strategisch misschien zwak punt bleef hij langer om de stellingen en manschappen terdege in ogenschouw te nemen. We moesten uit onze putten komen, die we zo juist gereinigd hadden. Behalve de sergeant salueerde er niemand. Juist wilde de majoor iets tegen ons gaan zeggen, toen een tiental meters verder een granaat insloeg. Het was de eerste keer, dat ik zo iets van nabij meemaakte. Het volgende ogenblik lag ik zonder te weten, hoe ik er gekomen was, met mijn hoofd naar beneden in een mangat.
Toen ik even later weer overeind kwam en over de rand durfde kijken, zag ik dat de majoor was blijven liggen. Twee Rode Kruis soldaten droegen hem weg. Er was een stuk uit zijn bil geschoten, hoorde ik later vertellen en men beweerde, dat hij onmiddellijk naar Engeland getransporteerd was.
 
Het leven in de putten was begonnen en het was zoveel anders dan het loopgravenleven uit de eerste wereldoorlog: beweeglijker. Niet een paar honderd meter naar voren en dan hetzelfde stuk weer terug, niet terug en dan weer eens naar voren, maar op mars, weer een put graven, op mars, weer een put. Die vreemde, langgerekte putten gingen overal met ons mee. Soms groeven we ze uit in een losse, zanderige bodem, dan weer in zware klei. Een volgende keer moesten we er een hakken. Later, in het herfstige Nederland van 1944, hadden we het nog het moeilijkst vanwege het grondwater. We groeven die putten met evenveel, zo niet met meer plezier dan vroeger aan het strand. Telkens als het vuren ophield, werkten we verder aan onze putten. Elke volgende put werd volmaakter dan de vorige, gerieflijker van inrichting, zachter van slaapplaats, huiselijker. Als het materiaal ervoor aanwezig was, kreeg de put ook een dak, soms van takken, klei of graszoden. Een andere keer maakten we het van deuren of schotten, die we uit kapotgeschoten en verlaten huizen sloopten en waarover we een laag grond aanbrachten. Het werd dan een hol met twee uitgangen. Aan de voorkant - de put was daar het diepst, omdat wij erin moesten kunnen staan — Stond de bren in stelling. In de wand groeven we „kastjes" voor de magazijnen en handgranaten camouflagenetten tegen de myriaden muggen.
 
Vele oudere soldaten, zorgvuldiger omspringend met hun leven ter wille van vrouw en kind, kwamen bijna nooit uit die putten, behalve om eten te halen. De jongere waren uiteraard roekelozer.
Hoewel het streng verboden was, zwierven we soms door niemandsland, bezochten leegstaande boerderijen. Een van die tochten kan ik me nog precies herinneren. Geen wonder! Ik maakte de tocht samen met Eddie, onze chauffeur, die uit San Francisco opgeroepen was om zijn militaire dienstplicht te vervullen. Hij had daar een eethuisje gedreven. Dat was voor ons heel duidelijk een voordeel, want hij was altijd uit op ingrediënten voor een wat gevarieerder maaltijd dan een blikje. Die waren soms gemakkelijk te vinden.  Hoeveel koeien werden er in die tijd niet getroffen door verdwaalde kogels of granaatscherven. De rechtmatige eigenaars waren meestal gevlucht achter de frontlijn, Eddie zag er dan geen kwaad in zich zo af en toe te bedienen van een pondje of wat vers rundvlees.
 
Plotseling schoten de remmen los. Het Duitse front was kennelijk ingestort, de opmars naar het noorden begon. De oorlog leek een feest te worden. Ook waren we geen helden in eigen ogen.  Die van de dichte drommen mensen, die ons toejuichten in de Franse dorpen en steden, wel. We werden als koningen verwelkomd. We moeten ook wel een heldhaftige indruk gemaakt hebben, overeind staande in onze trucks, goed doorvoed, gebruind en overmoedig lachend. We strooiden gul met sigaretten, chocolade en kauwgum, zoals in vroeger eeuwen de koningen met goudstukken.
„Cigarette pour papa!" Kleine jochies stonden, waarschijnlijk soms uren aan een stuk, datzelfde zinnetje te roepen. Dit beroep van hun zoontjes moet voor de vaders heel lucratief geweest zijn. Sigaretten waren inderdaad goud waard of liever: brood, boter, melk, kleren, schoenen. De feodale maatschappij van de middeleeuwen scheen ook wat dit betreft teruggekeerd. Alles werd verhandeld in natura.
Pas later kregen we door, wat sigaretten konden opbrengen. Sommigen werden van gul plotseling schraperig, kwamen de oorlog uit als rijke lieden."
 
 
 
Zoeken
Copyright 2016. All rights reserved.
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu