"Daar lagen ze doorzeefd met kogels, twee van mijn beste maatjes"

  

                1918-1944                                      1914-1944

   

 

Links de voorkant en rechts de rechterzijde van de boerderij van Fam. Bull, aan de rechterzijde van de weg stond toentertijd de bakkerij van Van Eck.
(foto Tonny de Heuvel www.bovenleeuwen.com )

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wim Bull: 'Ik was elf jaar toen het gebeurde. In onze boerderij bivakkeerden op dat moment 26 soldaten van de Prinses Irene Brigade. Zij aten en sliepen in de voorkamer en keuken.
Ik sliep met mijn zusje Tilly in de opkamer van de boerderij, toen we 's nachts vlakbij ons raam een harde knal hoorden. Even later hoorde ik mijn vader met een man van de Irenebrigade praten. Hij zei dat twee van zijn mannen voor de deur waren gedood en dat mijn vader zijn vrouw en kinderen binnen moest houden. Die man van de Irenebrigade vroeg aan mijn vader of hij zolang de broeibakplanken mocht lenen om die mannen op te leggen. Wij keken ondertussen stiekem door de gordijnen en zagen in het donker voor ons raam iets op de grond liggen. Vroeg in de morgen kwam een Rode Kruisauto de stoffelijke overschotten ophalen. Mijn zus en ik hielpen onze vader daarna meteen met het reinigen van de zijgevel. Met een schep en een bezem moesten we de stoffelijke resten van de muur halen. We hebben die nog, met toestemming van hun commandant, in de voortuin begraven.
Later hoorden we de ware toedracht: Een grote groep Duitsers was de Waal overgevaren en had in Beneden Leeuwen veel huizen aan de Waalbandijk in brand  gestoken. Op die dijk hadden ze een dienstdoende veldwachter aangehouden en hem gedwongen  te zeggen waar de Irenebrigadiers huisden. Angstig had hij ze de plaats aangewezen. Twee van die Duitsers verschuilden zich toen tegen de gevel van de bakkerij van Van Eck, tegenover onze boerderij. Op het moment dat ze die twee soldaten van de Irenebrigade in het zicht kregen vond er een schotenwisseling plaats. Vrijwel tegelijkertijd ontploften op de een of andere manier de handgranaten van die Irenemannen. Ze werden daardoor beiden afschuwelijk verminkt.'

Dhr. De Heuvel: 'Ik werd die nacht rond een uur of twee, drie plotseling wakker van een hoop lawaai op de Waalbandijk. Er bleken heel veel huizen aan die dijk in brand te staan. Ik ben toen, zonder medeweten van mijn ouders naar buiten gegaan en zag nog net vanuit ons erf dat twee soldaten van de Irenebrigade werden afgelost. Ze kwamen juist de oprit van de Waalbandijk bij de Florastraat afwandelen, toen twee Duitsers (ik herkende ze aan hun helmen), die tegen de deur van de tegenover gelegen bakkerswinkel van Van Eck geleund stonden, op hun schoten. Ik hoorde daarna nog een grote knal. Ze waren op slag dood. Buurtgenoten mochten niet naar die gesneuvelden toegaan, omdat andere Irenemannen ons naar binnen dirigeerden. Die twee Duitsers renden na hun daad richting de dijk die ze overstaken bij het cafť, daarna de uiterwaarden door, richting de Waal.'

'De ondergrondse was ook ingekwartierd in een boerderij aan de Waalbandijk in Boven-Leeuwen. Zij hadden hun hoofdkwartier in het nabij gelegen Altforst. Maar toen de Duitsers in op de Waalbandijk in aantocht waren, waren ze eerder vertrokken dan de bewoners. Die twee soldaten van de Irenebrigade waren halverwege de oprit van de Waalbandijk, bij  de boerderij van Bull  aan de Florastraat , toen ze door die Duitsers onderschept werden. Er was een kort vuurgevecht en kan mij nog herinneren dat ze zeiden dat van een van die twee jongens een handgranaat aan zijn gordel was geŽxplodeerd. Die jongens waren zwaar verminkt.'

"Ik sliep in een boerderij een eind van de rivier de Waal af.  Via de radio hadden we bericht ontvangen dat Duitsers de Waal waren overgestoken en in de richting van Boven-Leeuwen kwamen. Ik moest op de motor een bericht naar een boerderij achter de dijk  brengen. Onze mannen, die daar  op wacht stonden, moesten op hun hoede zijn voor een Duitse patrouille, die over de Waal in onze richting zou komen. Ik was vlakbij de dijk toen ik geratel hoorde. Ik dook in een greppel. Van daar zag ik twee van onze jongens op de grond liggen: Kroon en Arnoti. Ze waren door een sluipschutter doorzeefd met kogels. Als ik iets eerder was geweest, zou ik ook neergemaaid zijn. Onze commandant Ter Haar, riep onze groep na de eerste paniek bij elkaar en dwong ons naar de lijken op de grond te kijken. "Kijk maar, daar liggen ze. Kijk er maar goed naar. Ze hebben geen pijn meer en geen angst meer, zo erg is het dus ook niet." Die man zag het goed: als hij was gaan jammeren, zouden we dagenlang van streek zijn geweest."

'In de Hervormde kerk in Horssen, waar we toen een noodhospitaal hadden, heb ik toen de lijken dichtgebonden. Dat had ik geleerd op de grote vaart, op een troepenschip. De laatste steek moest door de neus.....'

"Toen we de lichamen weghaalden stonden de inwoners van Leeuwen door de ramen te kijken. We hadden niet kunnen achterhalen wie de aanslag gepleegd had en kregen een beetje het gevoel dat waarschijnlijk iemand uit het buurtje meer gezien had. Ik richtte mijn geweer op de ramen en schreeuwde dat ze naar binnen moesten. Ze hoefden niet te zien hoe wij die jongens wegdroegen. Toen het licht werd, zijn de lichamen naar ons hoofdkwartier in Horssen gebracht. Ik heb ze in dekens genaaid voor de begrafenis achter een kerkje in Horssen."

'Ik behoorde toen tot de "Carriertroop" van de Verkenningsafdeling, commandant 1ste luitenant B.ter Haar. Op 6 oktober laat in de namiddag lagen we ingekwartierd in een boerderij in Boven Leeuwen. Het was noodzakelijk wachtposten uit te zetten. Lex v. d. Ven, Raymond Arnoti, Marinus Kroon en Bill Susan kregen als taak vanaf het invallen van de duisternis met twee man een stuk dijk richting Beneden-Leeuwen te bewaken. Raymond Arnoti gooide een muntje op, "kruis of munt", won en besloot om samen met Marinus Kroon de bewaking van de dijk de eerste twee uur te gaan doen. "Kruis of munt"...., toen na 2 uur Lex van de Ven en Bill Susan onze twee kameraden kwamen aflossen, waren Raymond Arnoti en Marinus Kroon gesneuveld.'

'15 minuten voor de aanslag sprak ik nog met die beide soldaten. Ze zeiden dat we niet bang hoefden te zijn en rustig konden gaan slapen, ondanks dat in Beneden Leeuwen heel veel huizen in brand stonden.'

'Ik, Hendrik Koopmans,  hoor nog de schoten waarmee Raymond Arnoti en Marius Kroon geveld zijn. Ook heb ik gezorgd dat beide kameraden in een kist werden begraven en niet in een deken werden weggerold, althans ik heb het initiatief daartoe genomen. Van de kisten is Tony Vlemingh en/of Ad Raaymakers getuige geweest. Ik heb een van mijn zonen, nu havenmeester in Belem (BraziliŽ) Raymond Mario laten noemen.'

'Die twee gezworen kameraden waren een doelwit op zich tijdens hun wandeling bij volle maan. Het was logischer geweest als ze achter een boom of huis  hadden staan posten. Wij  bivakkeerden op dat moment in een boerderij in Boven -Leeuwen en hoorden ineens geratel van machinegeweren. Toen we op de plek des onheil aankwamen, lagen daar de doorzeefde lichamen van die jongens. Van Duitsers was al helemaal geen spoor meer te bekennen. Ik heb ze toen naar binnen helpen dragen.'

Een dorpsslager in Leeuwen herinnert zich de aanslag nog goed: "Ik zie de jongens nog lopen bij volle maan. Ik had gehoord dat er een Duitse aanval werd verwacht en waarschuwde ze allebei nog. Hun laatste antwoorden waren: "Die zullen we een warm onthaal geven." Even later waren ze zelf morsdood.'

'Raymond en Marius waren bij ons in huis. Wij hadden een groot gezin van 1 jongen en 5 meisjes. Wij meisjes waren gek op hen en kamden hun haar. Mijn moeder maakte net voor ze op die bewuste patrouille gingen nog karnemelkspap met gedroogde pruimen voor ze klaar. We hebben dagenlang gehuild toen die jongens zo plotseling sneuvelden.'

'Ik was radio-operator in de groep die 6 oktober 1944 in Leeuwen zat en hoorde onmiddellijk van de dood van Arnoti en Kroon, gaf het dan door aan HQ in Grave. Wel was ik verbaasd, dat de overledenen niet later getransporteerd werden.
Kroon, de stoere boerenjongen, die uit ArgentiniŽ kwam had, als ik mij niet vergis, familie in Lisse. Zijn vriend Kolenbrander kwam ook uit ArgentiniŽ. Arnoti, Frans sprekend, had familie in Rotterdam en Marokko. Het verlies van deze twee vrienden was wel degelijk een klap. Er was toentertijd kritiek, dat onze kleine groep niet de verdediging van zo'n hele streek had moeten accepteren en dat de Brigade (die niet de sterkte van een Brigade had) zich niet zů moest versplinteren. Enfin, ruim 60 jaar later kan men alleen maar zeggen, dat deze jongens niet vergeten zijn.'