Engelandvaarders - Prinses Irene Brigade

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Engelandvaarders

Rekrutering
De naam Engelandvaarder is pas in 1941 ontstaan toen er nog maar tientallen Nederlanders op illegale manier geallieerd gebied hadden weten te bereiken.
Ze zijn volgens correspondent Meyer Sluyser in Vrij Nederland ruwweg onder te verdelen in:

1. Degenen die in mei en juni 1940 per boot naar Engeland hadden weten te ontkomen (kregen géén onderscheidingsteken...)
2. Diegenen die met gevaar voor eigen leven en reizend door Europa Engeland wisten te bereiken
3. Diegenen die met Duitse toestemming via een neutraal land Engeland wisten te bereiken
4.  Diegenen die per schip het westelijk halfrond hadden doorgereisd en Engeland wisten te bereiken

Van de grote omweg door Europa, is door de Engelandvaarders het meest gebruik gemaakt. Vluchters moesten een reeks van moeilijkheden overwinnen. Internationale reizen waren namelijk door de Duitsers verboden, tenzij men een speciale vergunning had. De treinen werden scherp gecontroleerd. Valse papieren moesten dan vaak uitkomst bieden. Via België en Frankrijk zochten de vluchtelingen dan hun weg naar de belangrijkste tussenstop: het neutrale Zwitserland. Vervolgens voerde de rest van de tocht  opnieuw door Frankrijk. Als je hier ongeschonden doorkwam, volgde de Pyreneeën. Ook al had men hulp van betrouwbare passeurs, die bij voorkeur met gouden tientjes betaald werden, de tocht was, zeker in de winter, levensgevaarlijk.

'Geholpen door boeren, een wijnbouwer en een pastoor begonnen wij aan onze tocht door de Pyreneeën. Vier dagen zwierven we door dat gebergte. Drieduizend meter hoog langs de Pic Cher: sneeuw, ijs en mist. Mijn handen en voeten waren kapot. In een smalle kloof bleef ik hangen boven een ravijn..'
  

Filmverslag van Engelandvaarder en PIB'er Rudi Hemmes

De etappe door Frankrijk naar Zwitserland was het langst. Frankrijk was in juni 1940 opgedeeld was in twee delen: een noordwestelijk deel dat door de Duitsers werd bezet, en een, veel kleiner, zuidelijk deel. dat onder leiding stond van maarschalk Pétain. Hij zetelde met zijn regering in Vichy. Pétain collaboreerde openlijk met de Duitsers, ‘om Frankrijk te redden’. Toch was het voor de mensen die een ontsnappingstocht maakten in Vichy-Frankrijk veiliger dan in het noorden. Het passeren van de grens tussen de bezette en de niet-bezette zone, was wel een gevaarlijk moment, omdat er veel bewaking en controle was. In november 1942 werden er ook in Vichy-Frankrijk Duitse troepen gelegerd, maar de situatie van de twee zones bleef bestaan, tot de bevrijding van Frankrijk in 1944.
Zonder hulp van verzetsmensen, betrouwbare mensensmokkelaars en berggidsen, welwillende burgers en plaatselijke autoriteiten, was elke tocht gedoemd te mislukken. Ook een dosis geluk was onontbeerlijk. 
Veel Engelandvaarders zijn onderweg omgekomen: verdronken in de Noordzee, verongelukt in de bergen, doodgeschoten. Anderen werden gearresteerd, of bleven steken in een Zwitsers kamp of een Spaanse gevangenis. Onopgemerkt de Spaanse grens passeren, zonder met de autoriteiten in aanraking te komen, was vrijwel onmogelijk. Vaak betekende het opsluiting in de overvolle en middeleeuws aandoende gevangenissen in Lerida of het concentratiekamp Miranda de Ebro in Baskenland. Tous Gironder, een Philipsdealer, en zijn echtgenote en J. Davids, een zakenman uit Madrid, spanden zich tot  het uiterste in om de gevangen Nederlanders  in Spaanse gevangenschap alle mogelijke hulp te bieden. Officiële Nederlandse instanties keken niet naar ze om. Pas in 1943 stelde de Nederlandse regering orde op zaken in Madrid. Via Lissabon ging het dan vervolgens per vliegtuig of per schip naar Engeland. 
'In de ongeveer tien dagen dat ik in de Patriotic school verbleef, werd  ik meermalen ondervraagd  en wilde men precies weten  met welke reden ik naar Engeland was gekomen en moest de plaatsen noemen waar ik geweest was en bij wie ik onderdak had gekregen.  Je leefde er helemaal afgezonderd van de buitenwereld. Je mocht wel enkele keren per dag rondwandelen op de afgesloten buitenplaats. Hier rook je Londense smog en zag je in de lucht diverse kleine  Zeppelins aan kabels boven de stad hangen.'
'Als er 's nachts luchtalarm was moest je je verzamelen in een grote gemeenschappelijke ondergrondse  ruimte. Als het lawaai van bominslagen en sirenes afnam, kwam er het 'all clear'-toon van de sirenes en vertrok iedereen weer naar zijn kamer.'
'Na verhoren door de Engelse Mi5 werden we overgedragen aan de Nederlandse instanties en begon alles weer van voren af aan.'
'Die Pinto was de ene keer een charmante vaderlijke ondervrager en een andere keer leek hij op een agent van de Gestapo. Hij zat daar achter zijn bureau onder het staatsieportret van Koningin Wilhelmina. Hij was vrij gezet en had een getaand gezicht, zwart haar en grote donkere ogen, die groter leken door de bril met die bolle glazen. Tijdens de ondervraging blies hij met zijn pijp een lange rookkegel voor zich uit.'
De Engelandvaarders hadden het voorrecht verkregen om te kiezen bij welk legeronderdeel of dienst hij of zij vervolgens wilde dienen. Sommigen kozen na de procedure bij de RVPS en de PBD voor de Landmacht (Prinses Irene Brigade), anderen voor de Luchtmacht (Royal Air Force) of voor de Koninklijke Nederlandse Marine; nogal wat Engelandvaarders werden als geheim agent boven Nederland gedropt.
Circa 1700 Nederlanders kwamen veilig in Engeland aan. Wie hier binnenkwam, ging eerst onder escorte naar de"The Royal Victoria Patriotic Asylum for the Orphan Daughters of Soldiers and Sailors killed in the Crimean War. Dit was een lange naam voor een complex in Wandsworth, ten zuiden van de Theems dat tijdens de Tweede Wereldoorlog als 'Patriotic school' of 'RVPS ' meer bekendheid genoot. Oorspronkelijk was het gebouw een tehuis voor dochters van Engelse soldaten die gesneuveld waren in de beruchte Krimoorlog van 1853-1856. Iedere buitenlander die in de oorlog hier aankwam, dus ook de Nederlandse Engelandvaarders, werd korter of langer door de Engelse Veiligheidsdienst MI5 ondervraagd en beoordeeld op zijn politieke betrouwbaarheid. Hij of zij mocht dit complex pas verlaten, nadat die politieke betrouwbaarheid was gebleken.
Oreste Pinto

De Nederlanders kwamen daarna bij de Nederlandse collega’s van MI5 terecht, eerst bij de Centrale Inlichtingen Dienst (CID) en na de reorganisatie van deze dienst in de loop van 1942 bij de Politie-Buitendienst (PBD), een buitendienst van de Afdeling Politie van het Ministerie van Justitie. Hier werd het onderzoek naar de politieke betrouwbaarheid nog eens overgedaan.
Vanaf april 1941 was overste Oreste Pinto, onder de schuilnaam 'Frank Jackson', hier als chef-Nederland werkzaam. Hij was voornamelijk betrokken bij de ondervraging van vreemdelingen, vooral Nederlandse Engelandvaarders. Hier werden ze uit veiligheidsvoorzorgen dagen-of zelfs wekenlang diepgaand ondervraagd. In dit verhoor kwamen onder meer aan de orde de persoonlijke en familiegegevens, een eventueel verzetsverleden in Nederland, de beschrijving van de afgelegde weg naar Engeland, en een opgave van wie er ‘goed’ of ‘fout’ was in de woon- en werkomgeving van de Engelandvaarder. Men heeft er tijdens de verhoren wel degelijk enige Abwehragenten uitgehaald. Goedgekeurde Engelandvaarders werden op theevisite bij koningin Wilhelmina uitgenodigd. Na deze soms wekenlange ondervragingen, werden de vrijgelatenen Nederlanders opgevangen in een zgn. safehouse, Florys House in Wimbledon Park.

'Ik woonde zolang in een oud Engels herenhuis in een kleine kale kamer. Daar zaten soldaten uit alle windstreken. Toen ik medisch was goedgekeurd, kreeg ik een Soldiers Pay Book en ontving van de foerier een gebruikte battledress, een helm, lange onderbroek, kaki toilettas en tenslotte een geweer.'

De Koningin en de prins bij de deur

Het tehuis voor de Engelandvaarders in Londen heette 'Oranjehaven' en was gevestigd op 23 Hyde Park Place. Hier konden Nederlanders elkaar treffen, een borreltje drinken, een hapje eten en acclimatiseren. De Nederlandse instanties zorgden voor onderdak. Bovendien kreeg men er kleding en zakgeld uitgereikt.
De smokkel van mensen en van geheime informatie ging gedeeltelijk samen. Via ‘de Zwitserse Weg’ bijvoorbeeld sijpelden door spionage verkregen gegevens naar Engeland.

'In een vallei was een schaapherder die ons brood met uienringen gaf en ons liet drinken uit zijn wijnzak. Binnen een paar uur bracht hij ons naar de Spaanse kant. Als beloning gaven wij hem onze vulpennen, waarin de microfilms nog zaten, die we eigenlijk  moesten afgeven in Barcelona.'

Vlucht Engelandvaarder luitenant Beelaerts van Blokland in mei 1941

Hij stal met nog drie anderen  (piloot Govert Steen, Fokker technicus Lindeman en verzetsman Boomsma) onder de ogen van Duitse soldaten een Duits watervliegtuigje op het Amsterdamse IJ en wist zo Engeland te bereiken.
Fokker T8W

'Ik fietste langs de Minervahaven en zag daar, het was haast niet te geloven, een Duitse Fokker watervliegtuig T8W liggen. Het toestel lag 100 meter van de kade, we moesten een rubberboot hebben maar die kon je toen niet meer krijgen. Ik herinnerde mij dat een van mijn leerlingen nog een drijfzak had.


Het Nederlandse leger oefent met de drijfzak

 In de vroege morgen, ongeveer een week later, peddelden we daarmee naar het toestel, klommen erop en erin. Steen had nog nooit met zo'n ding gevlogen. Ik kon dat ook niet, maar had bij de cavalerie wel geleerd hoe je richting moest bepalen. Steen friemelde wat aan wat draden en startte eindelijk de motoren, waarvan er een haperde. Toen bleek dat het vliegtuig nog verankerd lag en draaide wij grote cirkels in het water. Dat anker opgehaald. De Duitsers stonden aan de walkant naar ons gestuntel te kijken maar grepen niet in, want ze dachten dat we oefenvlucht zouden maken. We schoten door de haven, scheerde langs de Hembrug het Noordzeekanaal op. We kwamen onder het wolkendek. Kaarten hadden we niet, alleen mijn Bézar legerkompas. Steen wilde naar Lowestoft in Zuid-Engeland vliegen om daar op een breed strand te landen. Opeens ontdekten we dat de zon aan de verkeerde kant van onze kist stond: mijn kompas deugde blijkbaar niet en we vlogen dus richting Frankrijk. We keerden en twintig minuten later zagen we een kust vol rotsen en  Engelse huizen. Plotseling werd er door de Britse luchtafweer op ons, door hakenkruizen  voorziene watervliegtuig, geschoten. Landen konden we niet, want het strand stond vol met palen en stakels tegen een mogelijke Duitse invasie. Steen had van tevoren al gezegd dat hij alles wilde doen voor de vrijheid, maar dat hij beslist niet in brand wilde worden geschoten.  Het vuren hield op, nadat we oranje-wit-blauwe vlag buiten het toestel lieten hangen. Doordat in Amsterdam de hendel van het remmechanisme was afgebroken, konden we geen vaart minderen en kwam het watervliegtuig op zijn neus in het water terecht. Na een hoge golf en wat geluk kwam het toestel weer recht en taxieden we naar de wal. Door de kustwacht werden we opgebracht en de bevolking van Broadstairs riep:' Well done the Dutch!' Daarna kregen we in de officiersmess de eerste van drie  bacon en eggs op één morgen. Onder politiebegeleiding werden we naar Londen gebracht voor ondervraging  door de Britse geheime dienst in de Patriotic School.'

Eind april 1944 werden 100 mariniers uit het opleidingskamp Lejeune in de VS, aan de Prinses Irene Brigade toegevoegd. Dit was nodig voor de broodnodige aanvulling van de Prinses Irene Brigade. Onder hen bevond zich de toen 22-jarige A. Loontjes. Hij was de enige Engelandvaarder in deze groep. Hieronder volgt zijn relaas:

De eerste Engelandvaarder van de mariniers: A. Loontjes

© A. Loontjes


marinier 3e klasse Ton Loontjes maart 1940

Wat vooraf ging aan de ontsnapping

Dhr. Loontjes kwam als 17-jarige in februari 1940 bij het korps Mariniers. Doordat hij iets te klein was, kwam hij alleen in aanmerking voor tamboer of pijper. Enkele maanden later brak de Tweede Wereldoorlog uit en werd hij gewoon ingedeeld als marinier.

'Niemand had het nog over die cm te kort. Veel konden we echter tijdens het bombardement niet doen. Alle straten lagen onder vuur en we konden geen kant op. Al onze kleren waren verbrand en we werden ook nog eens krijgsgevangen gemaakt. We moesten meteen het puin uit de stad gaan ruimen. Dat leverde ons tegen wil en dank de eretitel "Zwarte duivels" op. Twee maanden later werd ik als bewaker met 25 anderen overgeplaatst naar de militaire detentie inrichting Nieuwersluis. Daarna werden we tewerkgesteld bij de brandweer van de NS. Bij ons groeide steeds meer het besef om uit Nederland te vluchten. Toen ik samen met een vriend  in uniform door het centrum van Utrecht liep, werden wij plotseling door en wildvreemde man aangesproken.
Wat wij op dat moment niet wisten, was dat in Utrecht namelijk een prille verzetsgroep was opgerold door de Duitsers, met uitzondering van de leider, de heer Janssen en zijn adjudant. Die twee waren ontsnapt en niet gearresteerd. Deze twee mannen moesten zo snel mogelijk naar Engeland zien te komen om de verbroken verbinding te herstellen. Zij hadden samen reeds een goed ontsnappingsplan klaar om met een motorvlet van de Zuid-Hollandse Redding Maatschappij (ZHRM) naar Engeland te gaan. De motorvlet die zij daarbij op het oog hadden, lag afgemeerd in de haven van Hoek van Holland. De lengte van de vlet was ± 8.5 meter, de breedte ± 2.30 meter. De boot was uitgerust met een Parson 20 pk-benzinemotortje en verder voorzien van een kompas, anker, meertouwen, zwemvesten en ± 70 liter benzine. De boot was met een ketting en meertouw afgemeerd. Wat we toen nog niet wisten was dat de motor onklaar was gemaakt. De contactknop lag tussen de tank en de kabels van de bougies waren nl. afgekoppeld. Hoe we daar achter zijn gekomen is een verhaal apart.
De verzetsman, de heer Janssen, was zich ervan bewust dat hij en zijn adjudant geen nautische kennis hadden. Daarom had hij midden op straat contact met ons gezocht en vroeg hij of wij wilden assisteren bij een vlucht overzee naar Engeland. Als we geïnteresseerd waren moesten wij de volgende dag bij hem thuiskomen om de plannen verder uit te werken. Wij zijn met ons drieën, twee matrozen en een marinier, met enige schroom naar het opgegeven adres gegaan en konden meteen zien dat alles in orde was. Dat kwam door de foto's van Hare Majesteit Koningin Wilhelmina aan de muur en de aanwezigheid van een joods echtpaar.
Behalve Ton bestond de totale groep bestond uit : 

  • Walrave van Krimpen (1894) kwam om nadat zijn schip was getorpedeerd. Hij liet een vrouw en vijf kinderen achter.
  • Abraham Levi (1910) kwam bij de PIB, raakte zwaargewond en overleefde de oorlog niet.
  • Greta Cato Levi-Mendels (1910), zijn echtgenote, keerde na de oorlog met baby terug naar Nederland.
  • Gerardus van Asch (1922), een 19-jarige machinebankwerker.
  • Jan Bastiaan (1920), lichtmatroos.
  • Adriaan van der Craats (1921), lichtmatroos.
  • Theo Daalhuysen (1917), ex-sergeant.
  • Jan Jansen (1917) werd in Londen tot spion opgeleid en meermalen met een onderzeeër bij Petten afgezet en weer opgehaald.

    Memories of Dutch refugee T. Daalhuyzen (in English) 
    Memories of Dutch refugee J. Bastiaan (in English)

Gelukkig werd er tijdens die bespreking geen aandacht aan onze nautische kennis besteed. Het woord ''navigeren' alleen al was een moeilijk begrip voor ons en een kompas hadden wij alleen vanaf een afstand mogen bekijken. Ik ben afkomstig uit Maastricht en had de zee nog nooit gezien. Dat heb ik dus maar niet kenbaar gemaakt, omdat ik kostte wat kost mee naar Engeland wilde.
Wij zouden in koppels van twee of drie per trein naar Hoek van Holland gaan en bij duisternis aan boord van een rijnaak in de Berghaven wachten op eb. De schipper en zijn vrouw hebben hierbij een enorm risico genomen. In de haven lag nota bene vlakbij ook nog een Duits marineschip. In de voorafgaande dagen was het de Duitsers opgevallen dat er een verdacht persoon rondliep die belangstelling scheen te hebben voor de motorvlet in de Berghaven. De commandant van de Kriegsmarine had toen bepaald dat de vlet extra beveiligd moest worden. In 1945 werden die orders in een voormalige bunker te Hoek van Holland gevonden. Met groot genoegen vermeld ik hierbij de letterlijke tekst van deze Duitse order:
 
                                                           Bekanntmachung
Aus dem Berghafen in Hoek van Holland verschwand in der Nacht zum 21.11.41 ein mit Hilfsmotor ausgestattetes Rettungsboot der 'Niederländische Rettungsgesellschaft'. Vermutlich wurde das Boot von einem bisher nicht bekannten Mann zu einer Fahrt nach England benützt, der sich am 12.11.41 in Hoek van Holland nach einen für diesem Zweck geeigneten Fahrzeug umgesehen und erklärt hat, das jetzt verschwundene Rettungsboot benützen zu wollen. Trotz der daraufhin erfolgten Verstärkten Sicherung des Bootes und unklarmachung des Motors, gelang dem Täter die Entwendung des Bootes und die unüberlegte Flucht.
 
Uiteindelijk heeft hun 'Bekanntmachung' weinig geholpen en hebben we toch kunnen ontsnappen. Later is bij ons de gedachte opgekomen hoe het zou zijn geweest als de schipper van de rijnaak ons toen had verteld dat hij op de hoogte was van het feit dat de vlet onklaar was gemaakt. Gelukkig hebben wij dat toen niet geweten.
De reis per trein verliep zonder problemen. De heer Janssen was de enige die bewapend was en een doorgeladen pistool op zak had. Het Joodse echtpaar Levi zou bij controle de meeste problemen kunnen krijgen, maar dat is gelukkig niet gebeurd. Ik had een aantal peddels in bruin papier verpakt bij me. Volgens mij leek dat pak veel op een verpakt geweer. Telkens als er een Duitse soldaat een poosje in mijn richting keek vroeg ik mij af wat voor antwoord te geven over wat ik ging doen met die peddels in Hoek van Holland. Een goed voorbereid verhaal was beter geweest, maar gelukkig is ook dat niet nodig gebleken.
Bij aankomst in Hoek van Holland was het nagenoeg donker en bleven we maar wat heen en weer slenteren. We wachten op volledige duisternis alvorens aan. boord van de rijnaak te gaan. Wij werden daar hartelijk ontvangen door het echtpaar en kregen zelfs nog wat mondvoorraad mee, die jammer genoeg bij het aan boord gaan van het vletje overboord was gevallen.

Motorvlet van de ZHRM

 De ontsnapping

'Het vertrek was gepland op 20 november om ± 20.00 uur i.v.m. het getij. Nadat de kettingen m.b.v. koevoeten door onze matrozen waren verbroken, gingen we aan boord van de motorvlet en stuurden we voorzichtig met de meegebrachte peddels de Berghaven uit, richting Nieuwe Waterweg. Door de uitgaande stroom dreven we nu zeewaarts. Omdat er geen motorvoortstuwing was, dreven we soms zijwaarts en botsten zelfs met een smak tegen een dukdalf. Die klap leek veel harder dan de werkelijkheid was. Overigens was er op dat tijdstip veel  scheepvaartverkeer landinwaarts, maar die zagen ons gelukkig niet omdat wij met die vlet veel lager op het water lagen. Eén van de boten die ons passeerde was ook laag, maar de bemanning zag ons gelukkig niet omdat zij voor zich uit zaten te staren.
Plotseling gingen er twee schijnwerpers aan op de landhoofden. Wij dachten meteen dat ze op zoek waren naar het vermiste vletje, maar later bleek dat die lichten bedoeld waren om de ingang van de Nieuwe Waterweg aan te geven voor het binnenkomend scheepsverkeer.                                                  
Nadat we liet landhoofd voorbij waren werden de peddels gebruikt, totdat  het ons verantwoord leek om de motor te starten. Pas toen bleek ons dat de motor onklaar was gemaakt en de bougies waren verwijderd!!! Paniek alom, totdat na veel zoeken de verstopte bougies en de noodzakelijke startknop werden gevonden. Met veel zuchten van verlichting werd daarna de motor gestart en zijn we vele uren lang westwaarts gevaren. We beschikten niet over een goede zeekaart en het handkompasje was ook niet alles. We hadden afgesproken ruwweg west te varen, dan zouden we wel in Engeland aankomen, hoopten we. Toen het daglicht werd, was de kust niet meer te zien. Helaas sloeg de motor, wegens koelproblemen steeds af en moest er weer gepeddeld worden. De zee was erg ruw en de lucht zwaar bewolkt met als gevolg dat we bijna allemaal zeeziek werden. Zo hebben we toen de hele dag rondgedobberd.
De tweede nacht werd de stemming slechter en dat kwam vooral door gebrek aan drinkwater. Er werd toen al geprobeerd om de aandacht trekken van overvliegende vliegtuigen, desnoods van Duitsers, want alles leek beter dan  zo rond te drijven en wellicht om te komen van de dorst. Door het vele overgeven en verzwakking door gebrek aan water en voedsel, was het peddelen ook met meer mogelijk. Gelukkig lag er een stuk zeil aan boord dat door een van de matrozen aan een opstaande rand werd bevestigd, zodat we toch weer enige voortstuwing hadden.
De spanning en de dorst begonnen hun tol te eisen, waarna één van ons zeewater begon te drinken. Het resultaat was niet fraai, hij kreeg witte korsten en schuim op zijn mond en begon wartaal te spreken.
Aanvankelijk leek de derde dag zondag (23 november) de ergste van alles te worden. Grote wolken aan de horizon werden aangezien voor bergen, totdat het tegendeel bleek. Ook werd paniekerig geopperd dat we wellicht door het Kanaal richting Atlantische Oceaan waren gedreven. Dat klinkt nu vreemd, maar in de situatie van zeeziekte en gebrek aan water was dat zo gek nog niet.
Ook dacht men dat we naar het land waren teruggedreven richting België of  Nederland. Tegen de middag klaarde het weer op en zagen we iets dat op land leek. Er was ook een stipje zichtbaar dat bij nadering een vissersbootje bleek te zijn. De vraag was echter welke taal men daar zou spreken. Toen we op hoorafstand kwamen riep een van ons:'Are you English?' Hij antwoordde: 'Yes'.  Dat was de mooiste 'yes' wat ik ooit gehoord heb.

Kust van Reculver

Daarna werd peddelend en zeilend koers gezet richting kust, waarbij wonder boven wonder de motor warempel ook nog even heeft gelopen. We kwamen 68 uur na ons vertrek op de zuidoost kust van Engeland aan bij het kleine plaatsje Reculver, in het Graafschap Kent . En zo kwam er een gelukkig einde aan die hachelijke onderneming, die toch ook heel anders en veel slechter had kunnen aflopen.
De ontvangst door de burgers van het dorpje was geweldig. De aanwezige inspecteur van politie bracht ons naar Herne Rest Centre en daar kregen we wit brood met beleg en drinken zoveel als men maar wilde. De politie maakte een rapport van het gebeuren op, waarna we per groepje bij burgers voor de nacht werden ondergebracht.


(Royal Victoria) Patriotic School

De volgende morgen, na een zeer welkom 'English breakfast', werden we per busje naar Londen gebracht naar de Patriotic school. Daar werden we gedurende 14 dagen ondervraagd. De Patriotic school was ooit een internaat voor wezen van gesneuvelde militairen. Aldaar werden tijdens de Tweede Wereldoorlog alle buitenlanders, die niet in enig dienstverband in de UK aankwamen, getest op hun betrouwbaarheid. Voor de Nederlanders gebeurde dit door de luitenant-kolonel (KL) Oresto Pinto en LTZ  2 KMR A.Wolters. Overste Pinto stond bekend als de 'spionnenvanger' verbonden aan de dienst van de contraspionage. Tijdens liet ondervragen vertelde hij o.a. waarom dit allemaal nodig was. Er waren in het verleden zogenaamde Engelandvaarders aangekomen met de hulp van de Duitsers. Deze personen waren na ontmaskering gefusilleerd. Of hij de waarheid sprak weet ik niet maar het gaf mij een onbehaaglijk gevoel, omdat ik geen enkel document bezat om aan te tonen wie ik was. Mijn mede Engelandvaarders en zelfs de beide matrozen, waren een week geleden nog volledige vreemden voor mij. Achteraf bleek dat ik me onnodig ongerust had gemaakt en na 14 dagen van ondervragingen werden wij allen betrouwbaar bevonden en waren echt vrij.
Daarna verliep alles in een snel tempo. We kregen nieuwe burgerkleding, zakgeld en logeerden veertien dagen in een mooi hotel. Maar het hoogtepunt was het op theevisite gaan bij Hare Majesteit Koningin Wilhelmina. Een onvoorstelbare ervaring. 19 november was ik nog onder het juk van de Duitsers en drie weken later op bezoek hij Hare Majesteit de Koningin. Een unieke ervaring om nooit te vergeten. Hare Majesteit woonde toen in een landhuis 'Stubbing House' bij Maidenhead op ± 20 kilometer van Londen. In Londen woonde zij op nr. 77 Chester Square. Bezoekers werden door Generaal-majoor titulair Van 't Sant aan Hare Majesteit voorgesteld. Van 't Sant was tevens particulier secretaris en hoofd  van de Centrale Inlichtingen Dienst (CID).'

Dhr. Loontjes werd vervolgens overgeplaatst naar Holyhead in Noord-Wales. Hier werd hij geplaatst aan boord van het depotschip Oranje-Nassau. Hij moest daar krijgsraadarrestanten in voorarrest bewaken. Na een jaar kwam daar gelukkig ('daarvoor had ik toch niet al die moeite gedaan..') een einde aan en werd hij samen met 25 anderen geplaatst bij de Commando opleiding in Achnacarry (Schotland)onder commando van ltn. der mariniers Pronk. Deze opleiding werd vervolgd met plaatsing in Nr. 2 Dutch Troop (Troop is de benaming van de Commando's voor een compagnie)bij Nr. 10 Interallied Commando in Zuid-Engeland. Met deze eenheid werden vnl. landingsoefeningen gehouden met als voornaamste doel de vijand te misleiden over de plaats van de werkelijke landing. In het najaar van 1943 werd zijn groep, na een spannende oversteek met het passagiersschip R.M.S. Queen Elizabeth, overgeplaatst naar Camp Le Jeune in het Amerikaanse North-Carolina. De opzet van deze plaatsing was dat hij en zijn metgezellen zich zouden voorbereiden om als kernkader op te treden bij de formering van een mariniersbrigade. Eind 1943 waren er daar ongeveer 400 Nederlandse mariniers uit de hele wereld verzameld. Zij kwamen vanuit Curaçao, Aruba, Suriname, Engeland en van de varende marine. Voorjaar 1944 werd de opleiding voor 100 van deze mariniers abrupt onderbroken, doordat kolonel der mariniers M.R. de Bruyne in Londen deze mannen wilde 'inlijven' bij de Prinses Irene Brigade om aan de vereiste minimumsterkte van een selfsupporting brigade te kunnen voldoen. Dhr. Loontjes was een van deze 100 en vervoegde zich via Schotland en Wolverhampton eind april 1944 in Dovercourt bij de Irene Brigade.

© A. Loontjes
 
Zoeken
Copyright 2016. All rights reserved.
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu