H.E. Wijnmalen - Prinses Irene Brigade

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

H.E. Wijnmalen

Erelijst gesneuvelden > Namenlijst slachtoffers Indië
Achternaam: Wijnmalen
Voornamen: Henri Emile
Voorletters: H.E.
Rang: Elt.Inf.    
Mil. onderdeel: KNIL.                   
Onderscheiding: BL.                   
Geboorteplaats: Buitenzorg
Geboortedatum: 29-06-1910
Overlijdensplaats: Padang
Overlijdensdatum: 16-05-1942
Begraafplaats: Nederlands ereveld Leuwigajah te Cimahi   Gemeente Cimahi Land: Indonesië
Vak: V
Nummer: 1048

De ouders van Henri waren de in Nederlands-Indië geboren Willem Theodoor Wijnmalen (1885-1962) en Marguerita Elise Herklots (1886-1968). Ze trouwden in 1908 in Buitenzorg (N.I.) en kregen samen vier kinderen: Louis Eleonare (1909-1983), Henri Emile (1910-1942), Jules Edward (1918-1942), die overleed in de Javazee aan boord van Hr. Ms. Endeh en tenslotte Gertrude Caroline (*1920).

Henri   Wijnmalen werd geboren op 29 juni 1910 te Buitenzorg op   Java. Als 19-jarige vertrok hij naar Nederland om, op de   Koninklijke Militaire Academie (KMA) te Breda, een   officiersopleiding bij het Koninklijk Nederlands Indisch   Leger (KNIL) te volgen. Drie jaar later keerde hij   terug naar Nederlands Oost-Indië als tweede luitenant der   infanterie. Na eerst bij het 7de Bataljon gediend   te hebben werd hij in 1933 overgeplaatst naar het 12de   Bataljon. Vervolgens werd hij amper een jaar later bij de   Garnizoens-Compagnie Riouw geplaatst . Vervolgens    werd hij in 1935 bevordert tot eerste luitenant. Drie jaar   later werd hij overgeplaatst naar Atjeh als adjudant bij de   gewestelijke staf te Koetaradja. Hier kreeg hij in   1940 een functie bij het Korps Marechaussee.
Na de Japanse aanval op   Pearl Harbor op 7   december 1941, was de Nederlandse regering zich ervan bewust   dat Indonesië ook snel het doelwit zou worden van de   Japanners.
Door een gebrek aan beroepsofficieren stuurde de gouverneur uit Nederlands  Indië, op verzoek van de Nederlandse regering in Londen,  met enige tegenzin vijf man ('Baboenen') naar Wolverhampton. Nadat de Amerikaanse vloot in Pearl Harbor door de Japanners was vernietigd, wilden dit vijftal terstond terug met medeneming van het strijdbare gedeelte van de Brigade, in hoofdzaak het 1e bataljon. De commandant Van Voorst Evekink had hier wel oren naar en diende een rekest in.
Dit verzoek werd door de regering aangenomen, maar de manschappen hadden daarin geen enkele interesse.


Enkele Indiëgangers, die daar  echter nooit zijn geweest: vlnr:  Luykenaar, Beekenkamp, De Groot, Visbeen, Van Driel, een hospik, onbekende  chauffeur. middelste rij: Huisman, Van de Berg, Saarloos, Lambrechtse, onderste  rij: Koolstra, Van der Veer, Meyer

Zij wilden Europa bevrijdden en geen Nederlands Indië. De minister van Oorlog begreep dat er moeilijkheden waren en sprak in het kamp de manschappen toe. Hij beschouwde iedereen als vrijwilliger. Artikel 184 van de de grondwet verbood echter gedwongen uitzending. Velen deden een beroep op dit artikel en stelden zich niet beschikbaar. Prins Bernhard kwam bemiddelen en bracht tevens het bericht van Koningin Wilhelmina over: 'De koningin wil dat u naar Indië gaat!'. Het gemor bedaarde en mede op haar aandrang stelden zich een groter aantal van de staf en het 2e bataljon zich wel beschikbaar.

Het 154 man tellende detachement, inclusief de commandant was samengesteld uit: 19 officieren, 37 onderofficieren, 28 korporaals en 70 soldaten.  Luitenant Wijnmalen was in 1941, via Australië en Amerika, in Engeland   al bij het 2de Bataljon van de Prinses Irene Brigade gekomen en meldde zich  meteen aan om zijn 'vaderland' te helpen bevrijden van de Japanners.

Binnen een paar maanden wist Japan zich inderdaad in   korte tijd meester te maken van het Nederlandse koloniale   eilandenrijk. Op 8 maart 1942 capituleerde Nederlands Oost-Indië, waarna de meeste   Nederlanders door de Japanners in kampen werden   geïnterneerd.


H.M.S. Columbia

'We scheepten  ons te Glasgow op 6 januari 1942 in op het  koopvaardijschip "Colombia" van de K.N.S.M. dat  tot onderzeeboot moederschip was omgebouwd. Ook  de toenmalige brigadecommandant Kolonel D.D.van  Voorst Evekink ging mee, samen met zijn hond "Boef".  We waren een belangrijk schip, omdat het  ruim vol lag met torpedo's ten behoeve van  onze duikboten in het verre oosten (Britse en  Amerikaanse torpedo's pasten niet in onze  lanceerbuizen want die hadden een ander kaliber)  vandaar dat onze plaats midden in het gevormde  konvooi was.
Midden op de  Atlantische Oceaan werd ons konvooi opgemerkt  door een Focke Wulf verkenningsvliegtuig van  de Duitsers. Pogingen om met afweergeschut (o.m.  van de Nederlandse oorlogsbodem "Heemskerck")  het vliegtuig neer te halen, mislukten. Het  gevolg bleef niet uit - enkele dagen later  werden we aangevallen door Duitse duikboten. Vlak  voor het Nederlandse koopvaardijschip "De  Achterkerk" dook zo'n. duikboot op. De kapitein van  de Achterkerk liet zich deze kans niet  ontnemen en ramde met volle kracht deze duikboot  die daarop rechtstandig in de diepte verdween.  De aanval werd toen afgebroken.'

Op 6 januari vertrok het detachement met de trein vanuit Wolverhampton naar Gourrock in Schotland, waar het een dag later inscheepte aan boord van de  Hr. M.S. "Columbia", een omgebouwd passagiers schip - als onderzeeboot   moederschip - van de Kon. Marine. Dit alles onder commando van  kapitein ter zee Hoecke.
In konvooi varende zette de Columbia via de Golf van Biskaje, Freetown en  Kaapstad koers naar Nederlands-Indië.  Ze hebben twee maanden over deze tocht gedaan, wat zeker geen sinecure was in  1942. Een van de gevaarlijkst periodes wat betreft de zeeoorlog. Duitse U boten  lagen alom op de loer.

'Bij het van boord gaan in Colombo viel de scheepskist  uit de handen van de adjudant van de commandant en die bleek toen gevuld te zijn  met damesondergoed.'

' De commandant en zijn hond Boef zouden voorop gaan in  de strijd.  Wij gekscheerden: "Dan gaan er twee boeven!'
 

Ten gevolge van de naderende capitulatie van  Nederlands-Indië  kon het schip dat land niet meer bereiken en werd het naar Ceylon (het tegenwoordige Sri Lanka)gedirigeerd. Het detachement kwam op 7 maart 1942, de dag dat Indië was gevallen, in Colombo  aan. Aanvankelijk stelde de  Nederlandse Bevelhebber Strijdkrachten  in het Oosten,   admiraal Helfrich,  aan Londen voor, dat het Prinses  Irene detachement zijner inzicht het best naar Engeland kon worden  teruggezonden. In Londen dacht men er echter anders over!  Er moesten commando's  worden opgeleid om  ingezet te worden in het door de Japanners bezette  Nederlands Indië. Voormalig Brigadecommandant Van Voorst Evekink keerde echter op 10 juni 1942 weer terug naar Engeland, alwaar hij een andere functie kreeg. Ondertussen 'kampeerden' de manschappen op 13  verschillende Nederlandse schepen.

Inmiddels had Admiraal Helfrich, zijn  hoofdkwartier te Colombo gevestigd. Na de capitulatie in Nederlands Oost-Indië werd bekend   dat er Nederlandse eenheden waren die zich niet bij de   overgave wensten neer te leggen. Snel daarna was het   radiocontact met generaal-majoor Overakker, die nog geruime   tijd met troepen van het KNIL op het eiland Sumatra in actie   was geweest, verloren gegaan. Men hoopte toentertijd   niettemin dat hij nog de guerrilla strijd voerde.   Hierop besloot men ter plaatse, in de omgeving van Padang hierover inlichtingen te gaan inwinnen.   Luitenant Wijnmalen,  één van de vijf KNIL-officieren die bij de Prinses Irene brigade waren  gedetacheerd, werd hiervoor in korte tijd   klaargestoomd. Op 3 mei verliet vervolgens de Nederlandse   onderzeeër K. XIV, onder commando van Van Boetzelaer, de   haven van Colombo. Buitengaats werd per ‘prauw’  luitenant Wijnmalen met een koffertje aan boord gebracht. De commandant van de K. XIV verklaarde later   weinig hoop te hebben gehad in de goede afloop van de   geheime missie van Wijnmalen Deze was niettemin zeer   verzekerd van zijn zaak en zei: ‘Dat lukt me wel’. Hij sprak   immers vloeiend Maleis en  Atjehs en was   daarnaast ook nog eens donker getint.

Wat daarna precies met hem is gebeurd zal echter altijd   wel een mysterie blijven. Op 24 mei stuurde Van Doetzelaer,   zoals afgesproken een rubberboot naar het ‘rendez-vous’   punt op de wal om Wijnmalen op te halen. De boot keerde   echter onverrichter zake terug. Op 25 en 26 mei werd dit   herhaald. Beide keren te vergeefs. Hiermee was de eerste   geheime operatie van het Korps Insulinde mislukt. Achteraf is vast komen   te staan dat Wijnmalen spoedig na de landing in handen van   de Kempei-Taj (de Japanse Gestapo) moet zijn   gevallen.

Aan de hand van de uitrusting die Wijnmalen bij zich had,   moest het voor de Japanners wel duidelijk zijn geweest dat   hij een infiltrant was. De Japanners waren dan ook in het   bijzonder geïnteresseerd in de locatie van de Nederlandse   onderzeeër K. XIV en het rendez-vous   punt. Een  naderhand ingesteld onderzoek, maakte   duidelijk dat Wijnmalen gruwelijk gemarteld is en, na geen   inlichtingen prijs te hebben gegeven, uiteindelijk ter dood   werd gebracht. In het midden wordt daarbij gelaten hoe hij   uiteindelijk de dood heeft gevonden. Evenwel, in het   legerblad De Penguin van 24 oktober 1946, staat   hierover: ‘De Japanners lieten hem kiezen tussen leven en   dood. Leven wanneer hij spreekt en dood als hij dat   weigerde.’ Hij bleef zwijgen. Tegen de Japanners schijnt   Wijnmalen gezegd te hebben: "Het is in uw leger geoorloofd   dat een officier zichzelf van het leven kan beroven." Hij   kreeg een pistool en in tegenwoordigheid van zeven   officieren schoot hij zichzelf dood. Een andere versie   vertelt dat hij door de Japanners is doodgeschoten.

Eerste   luitenant Wijnmalen werd vervolgens begraven op de   begraafplaats te Padang   met vermelding van zijn naam en sterfdatum, 16 mei 1942.   Eind 1962 is hij echter herbegraven op het Nederlandse   Ereveld Leuwigajah   op Java. Daarnaast werd hem in 1951, postuum, de dapperheidsonderscheiding   de Bronzen Leeuw   verleend.

 
Bron: o.a www.dutchdefencepress.com
 
Zoeken
Copyright 2016. All rights reserved.
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu