Stönner, G.M. - Prinses Irene Brigade

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Stönner, G.M.

Erelijst gesneuvelden > Namenlijst slachtoffers Veldtocht
Achternaam: Stönner
Voornaam: Gerard Marinus
Voorletters: G.M.
Rang: Soldaat
Mil. Onderdeel: Kon.Ned.Brig.Prinses Irene
Geboorteplaats: Alexandrië
Geboortedatum: 14-08-1924
Overlijdensplaats: Eindhoven
Overlijdensdatum: 22-10-1944  
Begraafplaats: Militair ereveld  te Mierlo
Gemeente: Geldrop-Mierlo
Provincie: Noord-Brabant
Land: Nederland
Vak: 7
Rij: A
Nummer: 11












  Gerard Marinus Stönner                                                  Anna Maria van Slogteren
                                     (Bron foto's: Tilly Hegt-van Slogteren)                                                      

De opa van Gerard was Karel August Stönner (1853-1932). Hij woonde op de Prinsengracht 18 in Amsterdam en was directeur van de N.V. fabriek van Chem. Techn. Apparaten. Eén van zijn zonen heette Gerard Marinus Stönner (*1884). Deze boekhandelaar trouwde op 2 december 1908 met Rikje Strijkers (*1886) en na de scheiding op 15 december 1921 met Anna Maria van Slogteren (*1894-1971). Dit laatste huwelijk duurde tot maart 1941en hieruit zijn vier kinderen geboren: Gerard Marinus "Rinus" (1924-1944) en Frederik 'Fred" Willem (1925-2012). Op 2 augustus 1927 werd in Voorschoten ook de tweeling Fernanda "Nanda" en Karel August geboren.
De vader van Gerard werkte voor ASF-VCF Superfosfaatfabrieken (tegenwoordig Mekog) in Pernis. Uit hoofde daarvan werd hij met zijn gezin uitgezonden over heel de wereld: Rusland, Letland (Riga), Nederlands-Indië, India (Calcutta), Thailand (Bangkok) en Egypte (Alexandrië). In deze laatste plaats zijn Rinus en Fred geboren.

   
Rinus                                                                                                            Fred                                                                         


Nanda                                                                                           Karel
(Bron foto's: Tilly Hegt-van Slogteren)

Rond 1931 vertrok het gezin naar het Canadese New Brunswick, waar vader een nieuwe fabriek moest opzetten. Hij was vanaf 1938 tevens Vice-Consul der Nederlanden over New Brunswick en Prins Edward Island, tot hij in 1941 overleed aan de gevolgen van een hartaanval.
Ondertussen was in Europa WOII uitgebroken en had De Nederlandse regering in London inmiddels bij Koninklijk Besluit van 8 augustus 1940 een wetsbesluit uitgevaardigd voor alle Nederlandse mannen, geboren tussen 1 januari 1904 en 1 januari 1921, die woonden in Groot-Brittannië, Noord-Ierland. Canada en de Verenigde Staten van Amerika, voor zover niet in werkelijke dienst van land- of zeemacht, verplicht zich voor de dienst te doen inschrijven. Zij zouden gewoon 'dienstplichtige' worden en verplicht zijn dienst te verrichten bij de land- of zeemacht voor de duur van de oorlog of zoveel langer als de Regering nodig zou achten. In februari 1941 werd dat tussen de achttien en de tweeënveertig en betrof het ook de rest van de wereld, behalve bezet gebied en overzeese gebiedsdelen.
Op 22 augustus 1940 tekenden zowel de Nederlandse als Canadese regering een overeenkomst waarin de Canadese regering toestemming verleent tot de werving en oprichting van een Nederlands bataljon op haar grondgebied. Nederland stelde zich garant voor alle daarbij horende kosten. De dienstplichtigen en oorlogsvrijwilligers uit de V.S. en Canada werden vanaf het voorjaar van 1941 eerst in Stratford en later in Guelph in Canada opgeleid. Deze militairen droegen als herinnering aan hun herkomst een oranje Canadees esdoornblad ('maple leaf') op hun mouw.

Eind 1942 meldden Rinus en Fred zich hier ook en kregen een gedegen militaire opleiding. Vervolgens werden ze per schip overgebracht naar Glasgow. Na een lange treinreis kwamen ze aan in Wrottesley Park in Wolverhampton, het basiskamp van de Nederlandse Prinses Irene Brigade. Rinus werd ingedeeld bij Gevechtsunit 1 en Fred bij Gevechtsunit III. Gevechtsunit 1 bestond o.a. uit een afdeling Nederlandse parachutisten. De Nederlanders die vrijwillig parachutisten werden, kwamen niet alleen uit Nederland, maar ook uit landen zoals Brazilië, U.S.A., Argentinië, Marokko, Suriname, Canada, Zuid-Afrika en Engeland.


De parachutisten werden opgeleid in Engels verband op de Ringway Parachute Training School (Wilmslow-Manchester) te Netheravon (Salisbury Plain). Behalve sprongen uit een sperballon, werd gesprongen uit vliegtuigen zoals de Whitley, Halifax, Stirling en de populaire Dakota. Het gemiddeld aantal parachutesprongen per man zal tussen 25-35 liggen. De verwachting was dat zij, als de invasie begon, als eersten zouden meespringen. Dit idee werd nog versterkt toen majoor Paessens in het begin van 1943 op appèl een legerorder voorlas - dat de parachutisten Rode baretten zouden krijgen (evenals de Engelsen). Dit is echter nooit officieel geworden.
Toen op 6 juni 1944 de 'Normandy landings' bekend werden gemaakt en zij daar dus niet bij waren, was de stemming met een mes te snijden. De Gevechtsunit 1 functioneerde dus als infantrie bij de Brigade toen deze werd aangesloten bij de British 6th Airborne Division in Normandië.
Tijdens de veldtocht bevond de Irene Brigade zich  in oktober 1944 ten zuiden van het Wllhelminakanaal, tegenover Oirschot. Deze plaats was nog door de Duitsers bezet en een mogelijke oversteek van het kanaal zou moeten worden voorkomen om het achter de stellingen gelegen vliegveld  te beschermen. Op 20 oktober werd bericht ontvangen dat het dorp door de Duitsers was ontruimd.

De toenmalige commandant van het eerste peloton Infanterie Ltn. Ton Herbrink vertelde: "Het eerste peloton van de eerste Gevechtsgroep, waar Stönner deel van uitmaakte, ontving opdracht om in de vroege ochtend van 21 oktober een verkenningspatrouille naar de noordzijde van het WiIhelminakanaal te zenden om na te gaan of er nog Duitsers aanwezig waren, en zo ja, waar.
De patrouille zou om 05.00 uur worden overgezet met rubberbootjes, ongeveer zeshonderd meter ten westen van de vernielde verkeersbrug. Het was droog weer met enig zicht op het kanaal en de overkant. Op onze oever (de zuidoever) hadden we twee lichte mitrailleurs in stelling gebracht en een 2-inch mortier. Omdat er gedurende twee etmalen geen vijand was gezien op of nabij de oversteekplaats, zou het oversteken van het kanaal geschieden in stilte, dat wil zeggen er zou geen vuur worden gebracht, maar men was wel gereed om vuur uit te brengen zodra dat nodig zou zijn.
Toen de bootjes ongeveer halverwege waren, ontvingen  zij, tot ieders verbazing, mitrailleurvuur van de noordoever, op korte afstand van de plaats waar werd overgestoken. Onmiddellijk werd het vuur beantwoord door onze mitrailleurs en mortier. Het vijandelijk vuur herhaalde zich niet meer, doch had in eerste instantie zijn vernietigende werk al gedaan.
Het  bootje waarin  Stönner en de korporaal J. Bodes zaten, was lek geschoten en de beide inzittenden waren te water geraakt. Ik hoorde Stönner kermen en roepen: "Ik ben geraakt, help!" Bodes was niet geraakt en dusdanig alert dat hij  zijn collega onmiddellijk te hulp schoot. Hij slaagde erin Stönner zwemmend mee te nemen naar de zuidoever. (dat moet bij de loswal ter hoogte van De Heuvel zijn geweest, zo'n 600 meter verwijderd van de toenmalige ophaalbrug, in het verlengde van de Kanaalstraat, Red.) Intussen was er een brancard in gereedheid gebracht om hem weg te dragen naar een ambulance jeep. De jeep bracht de gewonde naar het Binnenziekenhuis in Eindhoven. Daar bleek dat de mitrailleurkogels dusdanige verwondingen hadden aangebracht in de rug, aan de longen en de ingewanden, dat medisch ingrijpen niet meer mogelijk was. Rinus overleed in de vroege ochtend van 22 oktober 1944 en werd begraven op het Engelse Militaire Ereveld in Mierlo.

Fred raakte bij het Beeringen aan het Albertkanaal in België ook gewond, maar hij overleefde het. Hij had geluk dat hij een briefje van zijn moeder had meegekregen, waarop het adres stond van haar broer in Amsterdam. De familie Van Slogteren werd gewaarschuwd dat Fred gewond was. Voor zijn verdere herstel werd hij door zijn familie in Amsterdam opgevangen. Na de oorlog ging Fred terug naar Canada, waar hij na zijn studies trouwde met Margaret Williamson en vijf kinderen kreeg. Hij overleed op 87- jarige leeftijd op 2 december 2012.

Rinus wordt gememoreerd op een plaquette in kapel De Heilige Eik aan de Proosbroekweg in Oirschot. (Bron foto: Peter van de Wal)

De webmaster heeft 26 februari 2015 een artikel geschreven over de lotgevallen van Rinus Stönner in de plaatselijke krant in Oirschot. Klik hier om dat artikel in te zien.

Met dank aan: Renata Bergkamp,  Tilly Hegt-van Slogteren en Ludmilla van Santen van Stamboomvragenforum.nl

 
Zoeken
Copyright 2016. All rights reserved.
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu