Strafkolonie Jodensavanne - Prinses Irene Brigade

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Strafkolonie Jodensavanne

Wolverhampton > Detachement naar Suriname
Indische NSB'ers in Nederlands enige concentratiekamp Jodensavanne

Na de Duitse inval in Nederland werd in Nederlands-Indië een groot aantal 'staatsgevaarlijke onderdanen' geïnterneerd, waaronder Indische NSB'ers, Duitse zeelieden van de koopvaardijschepen, circa 100 Duitse missionarissen en zendelingen, Duitse joden, maar ook bejaarde, geneutraliseerde Duitse militairen die hun hele leven bij het KNIL hadden gediend. Sommigen waren uit ziekenhuizen en bejaardencentra weggehaald. Ook circa 150 jeugdigen van gemengde afkomst met een Duitse vader werden geïnterneerd: 'Indische jongens', die evenwel geen enkele band met Duitsland hadden en van wie velen zelfs geen woord Duits spraken. Er was zelfs een 16-jarige jongen bij!
Onder de circa 2800 'Duitse' geïnterneerden bleken, volgens het onderzoek van Dr. L. de Jong, maar zo'n 30 felle Nazi's te zitten. Onder de geïnterneerden bevonden zich ook lieden die zich 'defaitistisch' hadden uitgelaten. Een Indischman, die nooit iets met politiek te maken had gehad, werd opgepakt omdat hij voor de grap in het openbaar had gezegd: "Kapan toean Hitler kentoet, tanah Inggeris tidak ada lagi" ("Als meneer Hitler een wind laat, is Engeland er niet meer"). Toen hem later in het kamp vroeg of hij eigenlijk wel wist waar Engeland lag, moest de man het antwoord schuldig blijven.

Fort Ngawi op Java

Op 13 mei 1940, riep de toenmalige 22-jarige KNIL-militair Stulemeyer, toen hij had vernomen dat de koningin de wijk had genomen naar Engeland, hevig teleurgesteld uit:"Nu komen die moffen binnen en neemt de koningin de benen!" De ramen stonden open en een buurman  en een vriend brachten hem aan. Stulemeyer: "Eensklaps stonden er 10 gewapende militairen, aangevoerd door kapitein Blecking, die mij gelastte met mijn handen omhoog mee te gaan."
Vanwege een dreigende Japanse invasie, werden de geïnterneerden op Java ondergebracht in Fort Ngawi.
Op 7 december 1941 vond de aanval op Pearl Harbor plaats en een dag later verklaarde de Nederlands regering in Londen de oorlog aan Japan. Nog steeds loyaal aan 'Koningin en Vaderland', niet zo verbitterd als ze geacht werden te zijn, tekende een grote groep geïnterneerden een verklaring, waarin zij aanboden Indië te helpen verdedigen in geval van een Japanse aanval. Het verzoek werd genegeerd en de geïnterneerden werden overgebracht naar Soerabaja. Op 21 januari 1942 werden 146 geïnterneerden hier ingescheept aan boord van het m.s. 'Tjisadane'.
m.s.Tjisadane

Het was de bedoeling dat dit schip ze naar  Australië zou brengen, maar door de Slag om de Javazee moest het schip uitwijken naar Kaapstad. Daar was juist een schip met Duitse gevangenen  in de buurt getorpedeerd. De 'staatsgevaarlijken' maakten de reis opgesloten in een grote stalen kooi in het voorschip.
De kapitein van de Tjisadane had de opdracht ervoor te zorgen dat de de gevangenen bij een torpedoaanval nooit uit het schip zouden komen. Er waren zelfs explosieven op de bodem van het schip aangebracht. "Vergeet de boten, de boeien en de reddingsvlotten," kregen de gevangenen aan boord van de 'Tjisadane' te horen van de mariniers die hen bewaakten. "Die zijn niet voor jullie. Als er wat gebeurt, verzuipen jullie als ratten en jullie verdienen niet beter." 
Het volgende doel was eerst richting Curaçao,  maar daar waren Duitse duikboten en werd het uiteindelijk Suriname.

De resten van de de synagoge op Jodensavanne

Op 1 maart 1942 kwam het schip veilig in Paramaribo aan. De gevangenen werden aanvankelijk eerst opgesloten in oude slavenverblijven van Fort Nieuw-Amsterdam en in september 1942 overgebracht naar Kamp Jodensavanne, ongeveer 50 kilometer zuidelijk van Paramaribo.
 
Kamp Jodensavanne, Collectie Claesens

 Daar moesten ze dwangarbeid verrichten in de houtploeg, de bootploeg of de visploeg. Ze kregen geen post en ook geen voedselpakketten van het Rode Kruis. Het kamp werd 'de groene hel' genoemd. De hygiënische omstandigheden waren slecht, en veel gevangenen kregen dysenterie en malaria. De enige arts was de eveneens geïnterneerde havenarts van Tandjong Priok Lex Schoonheyt.

Plattegrond Jodensavanne (foto: www.suriname.nu)

Rondom het kamp waren drie rijen prikkeldraad met op iedere hoek een wachttoren.  Op het complex waren cellen met poeptonnen en drinkwatertonnen, waarvoor dezelfde tonnen werden gebruikt. Het was er in dit gebied niet alleen verstikkend heet, maar de kampbewoners, w.o. ingenieurs, juristen, artsen en andere gestudeerden, leden ook erg onder het optreden van hun Nederlandse bewakers: mariniers en soldaten van de Prinses Irene Brigade. Velen schepten er genoegen in hun te treiteren. Strafcorvee, stokslagen, in de brandende zon staan voor de geringste 'overtredingen' waren aan de orde van de dag. Berucht  waren de dagelijkse zgn. alarmoefeningen, waarbij de bewakers op ongeregelde tijden dan laag over het kamp schoten. Ook kwam het geregeld voor dat handgranaten tussen geïnterneerden werden geworpen. Leden van de Surinaamse Schutterij toonden veel meer mededogen en gingen ongedwongen met de Indische NSB'ers om.

Plattegrond van J.Sprey (foto: www.suriname.nu)
 Foto Collectie Claesens

Het leven op Jodensavanne was voor veel geïnterneerden een hel. Ontspannen konden de gevangenen enigszins tijdens de dwangarbeid. Hen werd ondermeer als taak gegeven de Joodse begraafplaats te inventariseren. Zij legden 435 graven bloot en van het geheel werd door de gevangene Van Sprey een kaart vervaardigd. De riolering in het kamp werd aangelegd met de bakstenen van de synagoge, die daartoe deels met handgranaten werd opgeblazen. Vooral degenen die bomen moesten kappen waren blij dat ze even weg konden van het prikkeldraad. Het Rode Kruis mocht hierheen geen pakketten sturen, noch op bezoek komen.

Werkzaamheden in de jungle

'Tussen de gevangenen zaten ook een een paar fatsoenlijke lui en ik had het moeilijk om die als vijanden te behandelen. Er waren ook een paar raddraaiers bij en die zaten vrijwel continu in het cellenblok.'

Om de paar maanden meldde zich vanuit Paramaribo een andere commandant. Het regime veranderde dan ook. Tweemaal was Hub Mouwen en éénmaal Willem de Roos en J. Samson van het Irene Detachement er commandant. De eerste liet bijv. voor zijn komst al een waarschuwing uitgaan. Als hij aankwam moest er een granaat tot ontploffing worden gebracht om aan te geven dat er met hem niet te spotten viel.

Kol. Jan Meyer

In oktober 1942 kreeg gevangene Lo Hartog van Banda wegens werkweigering eenzame opsluiting in een houten barak aan de rand van het kamp. Hier stelde hij vast dat eenzame opsluiting de beste kansen bood voor ontsnapping. Hierna plande hij samen met zijn medegevangenen Raedt van Oldenbarneveldt, Van Poelje, Stulemeyer en Kraak een ontsnappingspoging die moest beginnen met werkweigering en de daaropvolgende eenzame opsluiting. Begin november kregen de vijf gevangenen de opdracht om de toiletten van de bewakers met de blote handen te reinigen. Nadat zij dit weigerden werden zij inderdaad opgesloten in de houten cellenbarak. Besloten werd om in de nacht van 4 op 5 november te ontsnappen. Hartog van Banda werd echter op 4 november, vanwege zijn verjaardag, door kampcommandant Bill de Roos vrijgelaten uit zijn cel. Na een stuk plank uit de achterste cel te hebben gezaagd, ontsnapten de andere vier zonder hem. Ze wilden naar Frans-Guyana, maar liepen in de jungle rondjes en werden weer gepakt. Onderweg werden ze ettelijke keren mishandeld, vervolgens werden ze op 6 november 1942 overgebracht naar de marinierskazerne bij Fort Zeelandia in Paramaribo. Hier werden ze door territoriaal commandant van Suriname, kolonel Jan Meyer, hardhandig verhoord. Hij kende beide mannen nog van voor de oorlog in Nederlands-Indië. Hij was toen ook enige tijd sympathisant geweest van hun  N.S.B. Bij het verhoor bracht Raedt van Oldenbarneveldt dat ook even ter sprake: "Waarom sta je niet meer aan onze kant, Jan?"
L.K.A. Raedt van Oldenbarneveld en L.A.J. van Poelje werden afzonderlijk van elkaar na het verhoor, geboeid met de handen op de rug, op weg naar hun cel op de buitenplaats van achteren doodgeschoten door resp. de mariniers S.Verhoeven en H.Grift.  "Zij maakten plotseling een beweging naar links..." Wachtcommandant Knoppel en directeur Gummels van Fort Zeelandia voorkwamen door hun tussenkomst dat het andere duo na hun verhoor ook standrechterlijk werd geëxecuteerd.
Hieronder volgen enkele verklaringen uit de officiële verhoren van ooggetuigen, zoals die zijn terug te vinden in de archieven:

Harmen Grift: "Ik kan eigenlijk geen reden opgeven waarom ik gevuurd heb op Van Poelje. Het moet geweest zijn uit wraakgevoelens wat ik in algemeen heb tegen deze mensen. Ook al door uitlatingen welke door kolonel Meijer kort tevoren waren gebezigd. "Landverraders" en "Als de verantwoordelijken voor het bombardement op Rotterdam."

Jaques R.F. Maatrijk constateert 'dat Raedt van Oldenbarneveldt geboeid is, geen poging tot ontvluchting doet, en desondanks wordt neergeschoten'.

Johan W.S. Wong Swie Wan, militair administrateur in Fort Zeelandia, hoort 'het geratel van een tommygun' en ziet 'Raedt van Oldenbarneveldt in elkaar zakken'.
De volgende dag spreekt kolonel Meyer tot hem: "Je hebt het gebeuren van gisteravond meegemaakt. Je houdt je smoel er over".

Robert J.C. Hoft, Surinamer, hoort Meyer direct na de moorden zeggen: "Maak je maar niet warm, deze twee NSB'ers zijn namens mij doodgeschoten".

Christiaan G.V. Knoppel, op de fatale dag wachtcommandant in Fort Zeelandia: "Kolonel Meyer vond dat ik niks in mijn rapport hoefde te melden over het neerschieten van die twee". Hij zei nog: "Laat je mensen maar kijken wat ik doe met landverraders die willen weglopen."

Dr. Anton E. Wolf, lijkschouwer, concludeert 'dat projectielen uit een vuurwapen in den rug van Raedt van Oldenbarneveldt zijn binnengedrongen en dat er vier projectielen door den buikwand weer buiten het lichaam zijn getreden'. Bij Van Poelje zijn 'drie projectielen uit een vuurwapen in den rug binnengedrongen'.

Na afloop kwam Meijer naar buiten en feliciteerde Verhoeven en deelde Chesterfields uit. Bovendien kregen zowel Verhoeven als Grift een tevredenheidsgetuigenis.

Op 5 mei 1945 stonden alle geïnterneerden van het kamp Jodensavanne aangetreden in het gelid. Er werd hun meegedeeld dat Nederland bevrijd was; dat de Nederlandse vlag werd gehesen en het Wilhelmus werd ten gehore gebracht. De geïnterneerden kregen te horen 'dat op degenen die tijdens het ceremonieel niet stram in het gelid blijven staan, zal worden geschoten!'.

Na de bevrijding in Nederland wist de regering niet goed wat ze met de geïnterneerden aan moest. Ze vielen onder de regering van Nederlandsch-Indië, maar die had feitelijk opgehouden te bestaan. Pas op 15 juli 1946 kwamen de gevangenen van Jodensavanne weer vrij. Drie dagen later verlieten ze Suriname en gingen met de Boissevain op weg naar Nederland. De 'staatsgevaarlijken' kregen onder de naam 'eerherstel' 500 gulden. Dit werd door sommigen trots geweigerd; ze vonden het meer een fooi dan 'eerherstel'.

Kolonel Meyer was in juni 1943 al naar Australië overgeplaatst en vandaar naar Nederlands-Indië, waar hij in 1947 het bevel kreeg over de V-brigade op Midden-Java.  Voor zijn krijgsverrichtingen tijdens de 1ste Politionele Actie kreeg hij de Militaire Willemsorde 4e klasse en werd kort daarna bevorderd tot generaal-majoor en troepencommandant van Midden-Java. Eind 1949 nam Meyer ontslag uit militaire dienst, emigreerde naar Amerika en vestigde zich in Danbury. Voor zijn verdienstelijke samenwerking in zijn Surinaamse tijd met de Amerikanen, ontving hij als ingezetene van dat land de Legion of Merit, een zelden uitgereikte medaille in de Officiersklasse.

In de jaren 1949-1950 krijgt Hendrik Jan van der Molen, kapitein van de marechaussee en later hoofdcommissaris van politie te Amsterdam, de opdracht de dubbele moord in Suriname te onderzoeken. Toeval of niet maar het onderzoek werd pas gestart, nadat de uitgeweken hoofdverdachte Meyer zich had verzekerd van een Amerikaans paspoort. Ondanks alle belastende verklaringen werd de zaak geseponeerd.
Begin 1972 kwam de zaak weer in de publiciteit door een reportage van AVRO's Televizier en een uitgebreid artikel in het dagblad Het Parool, waarin de toenmalige waarnemend procureur-generaal in Suriname mr. E. Grünberg het drama een laffe moordpartij noemde.
Grünberg: "Uit onderzoek van de patholoog-anatoom en foto's van de schotwonden is gebleken dat de schoten van zeer dichtbij werden afgevuurd. Beide slachtoffers waren met hun handen op de rug geboeid. Het is uitgesloten dat ze probeerden te vluchten. Het is zeker, dat de kolonel Meyer, die het bevel gaf tot de moorden, vóór de oorlog lid is geweest van de NSB en dat daarin voor hem één van de motieven lag om zich van lastige getuigen te ontdoen."

In hetzelfde Parool-interview zei een hoge politie-officier: "Van Poelje en Raedt van Oldenbarnevelt wisten dat Meyer vóór de oorlog in zijn Indische tijd lid van de NSB was geweest en die kennis staken ze niet onder stoelen of banken."

April 1972 stelde het Kamerlid De Goede (D66) hierover vragen aan de ministers Van Agt (Justitie) en Koster (Defensie).Minister Koster antwoordde de Tweede Kamer 'dat de mariniers ongetwijfeld beïnvloed zijn geweest door de geestesgesteldheid van haat en rancune jegens veronderstelde landverraders'.
Het antwoord van Van Agt werd vermeld in de Haagsche Courant en het NRC Handelsblad van 26 april 1972. Hierin zei hij o.a.: 'dat tegen de toenmalige kolonel Meyer, sinds 1949 gevestigd in de Verenigde Staten, zodoende geen vervolging meer kan worden ingesteld'.

Johan Kroese Meyer overleed midden jaren zeventig in de Verenigde Staten, zonder ooit een officiële verklaring af te leggen over de moorden in Suriname.

De KNIL-militair Stulemeyer - die vanwege zijn kritische opmerking over de vlucht van koningin Wilhelmina ruim 6 jaar gevangen had gezeten, heeft later nog getracht eerherstel te verkrijgen. Op zijn vraag waarom hij destijds geïnterneerd was geworden, kreeg hij ten antwoord: "U werd potentieel staatsgevaarlijk geacht en daarom vastgezet".
En op zijn vraag of die mishandelingen en moorden er ook bij hoorden, luidde het antwoord: "Dat is nu eenmaal inherent aan interneringen."

Stulemeyer: "Geen enkele officier of marinier werd vervolgd voor de moorden en mishandelingen. Ik heb geprobeerd recht te verkrijgen. Ik heb zelfs een proces aangespannen tegen de Nederlandse staat. Het mocht niet baten."
De weduwe van Raedt van Oldenbarnevelt kreeg een geldbedrag en verhuisde naar Australië.

Ik 1994 maakte Minister Voorhoeve tegenover de advocaat van de nabestaanden A.G. Besier een vorm van excuus aan hen.

Voor uitgebreidere informatie zie de website www.strafkolonie.nl 
 
Zoeken
Copyright 2016. All rights reserved.
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu