Verblijf 1940-1941 - Prinses Irene Brigade

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Verblijf 1940-1941

Congleton
Officieel kwamen de eerste troepen op 2 oktober 1940 in Congleton aan. Dit waren de zogenaamde 'mobiele troepen' het A-gedeelte van het Nederlands Legioen. Deze mobiele  troepen bestonden uit:

 - 1e Bataljon; 5 infanteriecompagnieën plus 1 compagnie motordienst
 - 1  Compagnie Mobiele Marechaussee van  4 secties
 - 1 Detachement Politietroepen van 60 man

Ze kwamen aan op het  station in Congleton (Cheshire), een plaats die toen ongeveer 12000 inwoners  telde. Het  Irene-muziekkorps stond hen al op te wachten. Ze speelden  marsen zoals 'Piet Hein'. Achter dit korps marcheerden ze, onder grote  belangstelling van de plaatselijke bevolking, het stadje in. Een gedeelte  werd gelegerd midden in de stad in een 'een ongezellige, armelijk, haveloos, vervallen' leegstaande papierfabriek Park Mill.  Plaatselijk beter bekend als het gebied bij de Fairground. Weer een ander  gedeelte vond onderdak in de Riverside Mill. Tenslotte kwam een groep iets ten noordoosten in Buglawton terecht, in de Eaton Bank Mill.

Park Mill

'In iedere Mill kreeg een groep een plaats aangewezen.  Dat  ging in de trant van: "Zo, in deze Mill kunnen dertig man slapen. Hier liggen  zakken, buiten ligt stro en verder zoeken jullie het maar uit!'

'Het was daar zo brandgevaarlijk, de  pijpen van de gloeide kachels gingen door de houten plafonds heen, die rondom de  pijpen al verkoold waren. Ook konden de ramen niet open en waren er geen  nooduitgangen.'
'Enkele extra grote kachels verspreidden enorme hitte voor wie er vlakbij  stond, terwijl verderweg alle warmte door de tocht werd weggeblazen. Er was per  verdieping één grote wasplaats, zonder douches en met alleen koud water. Wij  hadden in een café mensen ontmoet, die ons toestonden elke week in hun huis een  bad te kunnen nemen, maar het adres mocht niet verder verteld worden.'

'De ramen  konden niet open,  de trappen waren van hout en er was geen nooduitgang. Als er brand uitbrak, dan  verbranden er 500 Nederlanders...'



Voor- en achterzijde van de Riverside Mill. Hierin was vroeger de Marsuma siagrenfabriek gevestigd

Paul Heuts poetst zijn kistjes op een brandtrap (Bron foto: P. Heuts jr.-Canada)

                                                     Een kijkje in een Mill. Siem Jol kijkt  toe..




Een kijkje op de 'kamers' in de mills (Bron foto's: C. Hijzeler)

In november 1940  arriveerde het zogenaamde "Depotbataljon" eveneens in Congleton, na een korte  legering in Conway (Noord-Wales).
  Dit Depotbataljon bestond uit:
  - 3 rekrutencompagnieën van 95 man
  - 1 compagnie subsistenten en rekruten van de categorieën b, c en d (ongeschikt  voor dienst te velde) van 145 man.


De P.A.M. (politieafdeling Marechaussee) werd  afzonderlijk gelegerd in de Vale Mill.

Ondertussen  was in Londen al zeer uitvoerig over de bestemming van het Legioen gesproken en  werd besloten tot de vorming van een Brigade (regiment). De organisatie werd  doorgespeeld naar de Inspecteur der Nederlandse Troepen de reservekolonel G.B.  Noothoven van Goor, die op 22 mei 1940 benoemd was tot generaal-majoor en  vervolgens dus tot I.N.T. Generaal Noothoven van Goor was naar Engeland  uitgeweken nadat hij enige tijd had gefungeerd als hoofd van de militaire  missie bij het Belgische opperbevel. De I.N.T. had in oktober 1940 eveneens zijn  standplaats in Porthcawl verlaten om zich, op enige tientallen mijlen van  Congleton verwijderd, in het plaatsje Knutsford te vestigen.

Eind 1940 besloot de regering tot de vorming van een Brigade(regiment). Het kreeg de naam Koninklijke Nederlandsche Brigade en werd op 11 januari 1941 opgericht. Zowel de Koningin als Prins Bernhard gaven aan dat  zij zich konden vinden in het woord "Koninklijke", maar voor een verdere toevoeging  van een Koninklijke naam zou de Brigade eerst nog een betere geoefendheid moeten  laten zien.

Voorlopig bestond het uit een staf en twee bataljons volgens de Britse organisatie.  Het 1e Bataljon, o.l.v. Majoor Doorman, werd gevormd uit het bestaande 1e Bataljon, het 2e Bataljon,  o.l.v.Majoor De Broeckert,  uit het Depotbataljon en de Compagnie Mobiele Marechaussees. Deze Compagnie zou per 1 januari in het bataljonsverband treden. Het lag toentertijd nog in de bedoeling een complete Brigade volgens Britse organisatie en een Pantserverkenningsafdeling te vormen. Het eskadron pantserwagens in Ranton Abbey vormde hiervan de kern. Dit werd eind januari opgericht. Een groot deel van de Compagnie mobiele Marechaussees werd erbij ingedeeld. In eerste instantie o.l.v. Kapitein Kist, daarna door kolonel Phaff, de latere commandant van de Brigade.


De organisatie was echter bij lange na niet op volle sterkte en bovendien gedeeltelijk bezet met minder geschikt personeel. In november 1940 werd door jongere officieren al in een rekest om verbetering van de troepen gevraagd. Zij stelden voor: geen promotie, geen commando voor weggelopen en ongeschikte officieren en verwijdering van de fysiek ongeschikten. En..... afzien van het brigadeplan. Hiervoor in de plaats: een bataljon infanterie, een eskadron pantserwagens, scholing voor de bevrijding, personeel voor liaison, commando's duidelijke taakomschrijving, nu reeds een actievere taak, veel detacheren bij Engelse eenheden. Er werd hierna veel aan conditietraining en exerceren gedaan.

De dagelijkse Physical Training in Congleton:


In het midden dhr. Rienstra


C. coy 2e sectie marcheren in de buurt van Congleton

Derde van links Dhr. Ten Kate

Het voorjaar van 1941 werd benut om de conditie van de  manschappen op peil te brengen. Er werden veel marsen in de omgeving van  Congleton gemaakt.

    
 
Bezoek Prins Bernhard aan de manschappen Prins Bernhard met rechts de burgemeester van Congleton Dan Charlesworth
  
Prins Bernhard (midden) inspecteert een gevechtswagen nabij Leek in Staff.  
Siem Jol met zijn collega actief actief in Leek (Foto's:  S. Jol)

"Ik mag dan vermelden dat ik toen, precies acht dagen tevoren als dienstplichtig soldaat was ingelijfd bij de brigade. In de namiddag van 16 maart kreeg ik een volledig verslag van hetgeen er was gebeurd op 11 januari, gevolgd door een aan duidelijkheid niets te wensen overlatende opdracht, luidende: "Wee je gebeente als je niet volledig meewerkt om van deze brigade een moordbrigade te maken". Ondanks mijn volledige onkunde inzake het gebruik van de bewapening en van tactiek, moest ik toch meedoen in de oefening. Als complete leek vond ik die beslissing vragen om ellende, maar de sergeant gaf duidelijk te verstaan dat hij de dienst uitmaakte en niet ik!
Vroeg in de morgen van 20 maart werd ik door dezelfde sergeant in een opstelling geplaatst achter een heg, met mijn benen in een greppel van een bouwland, met de opdracht een eventueel oprukkende vijand tegen te houden. Op een bepaald moment, ongeveer 11.00 uur, hoorde en zag ik prins Bernhard naderen, lopend in de greppel, waarin ik mijn benen had neergevlijd. De prins was in een druk gesprek met de achter hem lopende generaal Noothoven van Goor. Het onverhoopte gebeurde toen. Prins Bernhard struikelde over mijn benen en, jawel, ik hoorde hem enige verwensingen zeggen, die ik hier niet zal herhalen. De prins kwam naast mij staan en vroeg hoe lang ik al in dienst was. Waarheidsgetrouw antwoordde ik: "Acht dagen Koninklijke Hoogheid". Daarop schoot hij in een daverende lach en zei: "Wat stom van mij om dat te vragen. Ik kan zo zien dat je nog niet veel hebt geleerd. Doe maar goed je best, dan kun je over enige tijd best meedoen om de vijand te verdrijven." (uit dagboek. T. Herbrink)


 
Op 20 en 21 maart 1941 bezocht Z.K.H. Prins Bernhard de Brigade te Congleton, waar hij een oefening bijwoonde en met de compagnie  napraatte over de brand in Ranton Abbey. Hij werd er met tal van problemen geconfronteerd. De prins schreef enkele dagen later dat zolang er defaitistische officieren en ongeschikte soldaten rondliepen de Brigade niet de naam 'Prinses Irene' verdiende. Deze brief had wel enig effect. Minister Dijxhoorn weigerde nog fysiek minder geschikte militairen van hun gevechtsfuncties te ontheffen. Maar zijn opvolger minister Van Boeyen begon minder geschikt en overcompleet kader over te plaatsen. Mannen die in  Engeland tot (onder-)officier waren   opgeleid traden in hun plaats.

'Wat ons stak was dat die minister met geen woord repte  over de ramp die ons enkele weken daarvoor trof in kasteel Ranton Abbey."

 
Op 25 maart bezocht de minister van Oorlog de Brigade, waarbij hij de toezegging deed, dat zij een vaandel zou worden uitgereikt.

Eskadron Pantserwagens keurig opgesteld op de 'Fairgrouds' in Congleton bij bezoek van de minister.

Aankomst  L. de Putter (L) in het voormalig postkantoor Wilboarclough op 11 februari 1941 (Bron D. de Putter)

The Albion Mill in Biddulph

De Compagnie Mobiele Marechaussee werd op 29  maart 1941  opgeheven. Dit betekende een uiteenzwerven van het personeel naar  verschillende onderdelen. Op 1 april 1941 vertrok een aantal onderofficieren en  Marechaussee naar Biddulph ter indeling bij het Pantser Eskadron. Zij  bivakkeerden hier ook weer in een oude fabriek: de Albion Mill. Het douchen gebeurde bij  de  oude kolenmijn "Victoria Colliery" te Knypersley, plm. 3 km  zuidelijker gelegen. 14 andere  onderofficieren vertrokken naar Wildboarclough en werden daar tot 24 juni belast  met de bewaking van Engelse vliegtuigbommen, opgeslagen in een oude wolfabriek Cragg Mill.  Ze werden daar zolang ondergebracht in een voormalig postkantoor. (voorheen  de kantoren van de in 1957 afgebroken Crag Works, vervolgens postkantoor en  dorpshuis en tegenwoordig een woonhuis).
  
 
Parade van de Brigade door Congleton op 24  mei 1941 (foto: Coen Hijzeler)
In de zomer van 1941 verrichtten verschillende  pelotons, ter aanvulling van hun weekgeld,  hand- en spandiensten op boerderijen in de buurt van Congleton.  Op onderste foto  Eelke Wolters  uiterst links bij de boer. (foto N. Slater)

Op last van de regering waren in september 1940 al plannen gemaakt voor de  bouw van een permanente kazerne. De brand in Ranton Abbey had het ministerie van  Defensie in Londen overtuigd dat haast moest worden gemaakt. De keuze viel op  Wrottesley Park, 8 km ten westen van Wolverhampton (Staffordshire) gelegen. De Nederlander Henri Wijnmalen, die na een carrière als piloot in eigen land en rijinstructeur in Frankrijk, aannemer was geworden in Twyford, mocht voor Nederlandse rekening aanvangen met de bouw van het kamp.   
  
Sinterklaas en Kerstmis  werden echter nog wel in Congleton gevierd.

 
Klik hier voor een terugblik van de Congleton Chronicle van 11 februari 1966 over bovenstaande periode.

 
Zoeken
Copyright 2016. All rights reserved.
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu