St. Come - Prinses Irene Brigade

Ga naar de inhoud

St. Come

Normandië
St. Côme
Normandië

Hell Fire Corner



Op 10 augustus 1944 kreeg de staf van de Prinses Irene Brigade opdracht om zich op 12 augustus naar het Orne-front te begeven. Daar was de Britse 6th Airborne Division gelegerd. Samen met de Belgische Eerste Brigade ‘Piron’ kwam de Prinses Irene Brigade onder het geallieerde bevel in deze sector te staan.

In de nacht van 5 op 6 juni 1944 waren Britse en Canadese parachutisten van de 6th Airborne Division achter de Duitse kustverdediging geland. Zij moesten onder meer de bruggen over de Orne en het Caen-kanaal veroveren en het gebied ten oosten van de Orne veiligstellen. Ondanks zware verliezen wisten zij een bruggenhoofd te vestigen en te behouden, onder andere bij het dorp Bréville-les-Monts.

De sector kreeg van de Britse en Canadese militairen de bijnaam Hell Fire Corner. Vanaf de eerste dagen na D-day lagen de geallieerde troepen hier voortdurend onder vuur van Duitse artillerie en mortieren. De Prinses Irene Brigade wist dat zij niet naar een rustig deel van het front werd gestuurd.

‘We wisten tenminste dat we niet voor een of ander snertkarweitje gebruikt zouden worden en een gevoel van trots kwam onwillekeurig naar boven.’


De zgn. Pegasusbrug over de  Canal de Caen

'Een  mp-motorrijder ging ons voor. De voertuigen reden zonder verlichting. Alleen op  de achteras was een klein spotje bevestigd, waaruit een lichtstraaltje scheen op  de grond. Dit was het baken waarop de chauffeurs het contact moesten  onderhouden.'
'Plotseling begint vlak naast de weg  luchtafweergeschut te schieten. De mondingvlammen en de enorme knallen deden ons  van schrik verstenen. Later realiseerden we dat het ons eigen geschut was dat op  vliegtuigen vuurde. We waren nog zo onervaren.'


Verbindingsman met muskietennet op zijn hoofd

Naar Hell Fire Corner
De Brigade kreeg de opdracht om zich in de vroege ochtend via de beroemde Pegasusbrug, met de codenaam Ham, naar Hell Fire Corner te begeven.
Het gebied waar de militairen voorlopig zouden bivakkeren, bestond uit een driehoekige boomgaard met aangrenzende weilanden. Een deel van de weilanden stond onder water van het riviertje de Dives. In het stilstaande water lagen rottend fruit en de kadavers van tientallen paarden. De combinatie van water, rottend fruit en dode dieren trok grote aantallen muggen en wespen aan. De overlast was enorm.

'Het enige wat we konden doen tegen dat ongedierte was ons van top tot teen insmeren met kajoepoetizalf, dat zorgde voor een verstikkende geur in ons gebied.'

'Het was een strijd van de drie M's: Moffen, mortieren  en muskieten!'

'Om  die muggen geef ik niks: ik moet Moffen hebben, was de strijdkreet.'

'Ik drenkte mijn camouflagenet van mijn helm in de benzine, om zo de muggen op afstand te houden. Radeloos werd je ervan.'

Kasteel St. Come voor de aanval.                                                                                 

Voor-en achterzijde van dit kasteel toont de vernielingen na de aanval

'Bij het kasteel hoorde ook een stoeterij 'Les Haras  de Bréville, waarvan  tientallen dode paarden her en der verspreid lagen. Er was wel kalk overheen  gegooid maar er was nog geen gelegenheid ze op te ruimen. De hitte in augustus  droeg ook zijn steentje bij. Al met al  veroorzaakte dit een hele  penetrante geur, die niet was uit te houden.'

'Ik was brenschutter. Een deel  tussen een boom  en een struik was voor mij. Ik heb nog wel eens geprobeerd  om die plek terug te  vinden, maar dat is nooit gelukt. Twee uur op vier  uur af, soms helemaal niet  af. Je had de gekste tijden en je werd doodmoe. Daar liep ik voor het eerst 's  nachts wacht. We lagen op 200 meter van de  Duitsers. Wij hadden patrouilles  uitgezet en zij ook. Dan hoorde je het  kraken. Zou het een Duitser zijn of een  konijn? We lagen onder vuur van  mortieren en artillerie. Je deed het in je  broek.'

Bij het kasteel hoorde ook de stoeterij Les Haras de Bréville. Tientallen dode paarden lagen verspreid over het terrein. Er was kalk overheen gestrooid, maar ze waren nog niet opgeruimd. De hitte van augustus verergerde de stank.

‘Bij het kasteel hoorde ook een stoeterij “Les Haras de Bréville”, waarvan tientallen dode paarden her en der verspreid lagen. Er was wel kalk overheen gegooid maar er was nog geen gelegenheid ze op te ruimen. De hitte in augustus droeg ook zijn steentje bij. Al met al veroorzaakte dit een hele penetrante geur, die niet was uit te houden.’

De Brigade loste hier de Royal Ulster Rifles en een compagnie van de 2nd Oxfordshire (Oxs) en Buckinghamshire light Infantery (Bucks) af. Deze mannen waren na twee maanden vechten totaal uitgeput.
De Nederlandse Brigade betrok stellingen over een frontbreedte van ongeveer één kilometer. De drie gevechtsgroepen lagen vooraan; daarachter bevonden zich de verkenningsafdeling (Recce) en de artillerie.
Een peloton tirailleurs werd ingezet om de brug over de Orne bij Ranville te bewaken. Deze brug, met de codenaam Jam, was op D-day na zware gevechten door parachutisten en commando’s veroverd.
Het hoofdkwartier van de Nederlandse Brigade werd ondergebracht in een zwaar beschadigd huis achter het in puin geschoten kasteel St. Côme, op minder dan een kilometer van de drie gevechtsgroepen.
Vlak voor de aankomst stonden grote borden langs de weg met de waarschuwing:
‘You are now in full view of the enemy.’
Die waarschuwing was niet overdreven. Duitse militairen van het 744e Regiment lagen op ongeveer 250 meter afstand. De taak van de Brigade was om de Duitsers aan het front bezig te houden, terwijl andere geallieerde troepen een omtrekkende beweging uitvoerden.
Een militair herinnerde zich zijn eerste ervaringen als brenschutter:

‘Ik was brenschutter. Een deel tussen een boom en een struik was voor mij. Ik heb nog wel eens geprobeerd om die plek terug te vinden, maar dat is nooit gelukt. Twee uur op vier uur af, soms helemaal niet af. Je had de gekste tijden en je werd doodmoe. Daar liep ik voor het eerst ’s nachts wacht. We lagen op 200 meter van de Duitsers. Wij hadden patrouilles uitgezet en zij ook. Dan hoorde je het kraken. Zou het een Duitser zijn of een konijn? We lagen onder vuur van mortieren en artillerie.’

Krantenbericht uit  Vrij Nederland  van 26-8-1944:

'In de stelling zelf was het een stinkboel. De vorige  'bewoners' hadden het niet nauw met de hygiëne genomen: overal lagen  uitwerpselen en etensresten.'
'De  Duitsers hadden in dit deel van Frankrijk al hun listen en lagen gebruikt om  onze opmars te vertragen en ons moreel te breken. Gevaarlijker nog dan de  sluipschutters waren nog onze eigen argeloosheid en achteloosheid. Want bij een  succesvolle achtervolging is de neiging tot onvoorzichtigheid nauwelijks  te bedwingen. Wie, b.v. de deur van een verlaten boerderij met de kolf van zijn  geweer openstootte, maakte een goede kans op een enkele reis naar het  hiernamaals. Aan deuren en vensters hadden de Duitsers vaak draden bevestigd,  verbonden met een bom of mijn. De minste beweging van de draad had onmiddellijke  ontploffing tot gevolg.  Zelfs de lijken van hun eigen strijdmakkers werden op die manier als boobytraps  gebruikt. Wij hadden met een vijand te doen, die letterlijk aan alles had  gedacht: er waren plaatsen waar zelfs bloemvazen op soldatengraven waren  ondermijnd; menig nietsvermoedende Franse huismoeder, die er de bloemen kwam  verversen, vond zo haar einde. Niets had onze afkeer sterker kunnen maken dan  deze totale oorlog in het  klein.'

Het was ten strengste verboden bovengronds te blijven. De militairen namen  daarom bezit van de door de Duitsers in de 'bocages' gegraven dug-outs. Deze bocages lagen in de weilanden en boomgaarden met een lengte van 60 tot 80 meter, van elkaar gescheiden door bossages en struikgewas op de 1 meter hoge aarde  wallen. In de boomgaard lag een professorisch massagraf, waarop lege flessen  waren geplaatst met daarin briefjes met de namen van de gesneuvelden. De graven van Engelsen en Duitsers lagen naast elkaar. De Irenemannen hadden nog geen oorlogservaring en kregen hun vuurdoop. Het was beslist geen rustig plekje, want deze plaats had de bijnaam 'Hell-Fire-corner'. Tegen negen uur in de avond brak plotseling een fel artillerievuur los dat vrij lang duurde. De flessen op de diverse graven vlogen aan scherven. Verschillende mannen waren zo verrast dat ze hun schuttersputjes niet meer konden bereiken.

De majoor liet een aantal soldaten voor de 'nachtwacht'  op een rijtje aantreden om te controleren of ze wel een handgranaat hadden. De  vijand zag dat tafereel ook en schoot een projectiel op dat groepje af. De  majoor was er het ergst aan toe. Hij dook in een schuttersput met de  woorden: 'k Ben in mijn gat getroffen!'

Majoor Molenaar, commandant van GG II, werd daarbij zo zwaar gewond (deel van zijn bil kwijt) dat hij de volgende dag vervangen werd door kapitein der mariniers H. Arends. Hij stond bij de mariniers bekend als een kundig en doortastend man. Het gaf hun voldoening een officier uit eigen gelederen als aanvoerder te hebben. Er vielen die dag in totaal 13 gewonden.

'Zoveel gewonden, als dat zo doorgaat halen we niet eens  Parijs, laat staan Nederland....'
 
'Een Nederlandse soldaat zag in een weiland een paar Sherman-tanks staan en riep naar een collega: " Sjerman tanks!" Ogenblikkelijk barstte er vuur los van Britse kant, die veronderstelden te doen te hebben met German tanks....'


De eerste beschietingen
De stellingen waren allesbehalve comfortabel. De vorige bewoners hadden weinig aandacht besteed aan de hygiëne. Overal lagen uitwerpselen en etensresten. Bovendien moesten de Nederlandse militairen voortdurend rekening houden met boobytraps die de Duitsers hadden achtergelaten.

In een krantenbericht in Vrij Nederland van 26 augustus 1944 werd gewaarschuwd voor de Duitse valstrikken:
‘De Duitsers hadden in dit deel van Frankrijk al hun listen en lagen gebruikt om onze opmars te vertragen en ons moreel te breken. Gevaarlijker nog dan de sluipschutters waren nog onze eigen argeloosheid en achteloosheid. Want bij een succesvolle achtervolging is de neiging tot onvoorzichtigheid nauwelijks te bedwingen.’
De waarschuwing was duidelijk: achtergelaten deuren, ramen en zelfs graven konden met explosieven zijn verbonden. De militairen moesten voortdurend op hun hoede zijn.

Het was ten strengste verboden om bovengronds te blijven. De mannen namen daarom hun intrek in de door de Duitsers aangelegde schuilplaatsen en loopgraven in het Normandische heggenlandschap, de bocage. Deze lagen in weilanden en boomgaarden, waar hoge aarden wallen met struikgewas de velden van elkaar scheidden.

In de boomgaard lag een voorlopig massagraf. Op de graven stonden lege flessen met daarin briefjes waarop de namen van de gesneuvelden waren geschreven. Britse en Duitse militairen lagen er naast elkaar begraven.
De Nederlandse militairen hadden nog nauwelijks gevechtservaring. Hun vuurdoop liet niet lang op zich wachten.
Tegen negen uur ’s avonds brak plotseling een hevig artillerievuur los. De beschieting duurde geruime tijd. De flessen op de graven sprongen door de inslagen aan scherven. Verschillende mannen werden zo verrast dat ze hun schuttersputten niet meer op tijd konden bereiken.
Een majoor liet enkele soldaten aantreden om te controleren of zij hun handgranaten bij zich hadden voor de nachtwacht. De Duitsers zagen de groep en vuurden een projectiel op hen af. De majoor werd het zwaarst getroffen.

‘K ben in mijn gat getroffen!’

Majoor Molenaar, commandant van Gevechtsgroep II, raakte ernstig gewond. Hij verloor daarbij een deel van zijn bil en kon zijn commando niet voortzetten. De volgende dag werd hij vervangen door kapitein der mariniers H. Arends. Bij de beschieting vielen in totaal dertien gewonden.
Een van de militairen reageerde gelaten:

‘Zoveel gewonden, als dat zo doorgaat halen we niet eens Parijs, laat staan Nederland....’

Ook onderling vuur kon gevaar opleveren. Een Nederlandse soldaat zag in een weiland enkele Sherman-tanks staan en riep naar een collega: ‘Sjerman tanks!’ Britse militairen dachten dat hij Duitse tanks bedoelde en openden het vuur.


Gevechten bij Chateau St. Côme


Wachtmeester Lammers sneuvelt
Tegen de avond van 14 augustus werden de stellingen en het hoofdkwartier van de Brigade opnieuw zwaar beschoten door Duitse artillerie en mortieren. Het bos rond het hoofdkwartier bood weinig bescherming. Granaten ontploften tussen de bomen, waardoor een regen van scherven op de Nederlandse militairen neerkwam.
Wachtmeester P.W.H. Lammers van de medische dienst werd dodelijk getroffen terwijl hij onder een boom een brief zat te lezen. Hij was de eerste militair van de Prinses Irene Brigade die tijdens de gevechten in Normandië sneuvelde.
Lammers had in Engeland als onderkapelmeester bij het muziekkorps Prinses Irene gediend. Hij componeerde het Brigadelied, dat later bekend werd als de Irenemars.
Zijn dood was een zware slag voor zijn kameraden. De beschietingen maakten duidelijk dat ook achter de voorste stellingen niemand veilig was.

Gebrek aan voedsel en de gevolgen van de strijd
De omstandigheden in de boomgaard waren zwaar. Er was weinig te eten en de mannen probeerden hun rantsoenen aan te vullen met wat ze in de omgeving konden vinden.

‘Er was heel weinig te eten. We aten doorgeschoten slaplanten en wilde zuring en kookten zelfs gras.’

Ook de nachten eisten hun tol. De militairen waren moe, gespannen en voortdurend op hun hoede. Een herinnering vertelt hoe de spanning bij een jonge soldaat te veel werd:

‘De vierde nacht, op 15 augustus, werd het een 18-jarige soldaat op wacht te veel, toen een tripwire afging en hij als een gek om zich heen en op zijn eigen mensen begon te schieten. We pakten na een schermutseling zijn stengun af en vrijwel meteen zakte die jongen als een wrak in elkaar, totaal in de war.’

De combinatie van slaapgebrek, voortdurende beschietingen en de angst voor een aanval maakte het verblijf aan het front bijzonder zwaar.

Dysenterie treft de verkenningsafdeling
Op 15 augustus kreeg de verkenningsafdeling van de Brigade te maken met een andere vijand: dysenterie. Ongeveer dertig militairen werden zo ernstig ziek dat zij naar een hospitaal in La Délivrande moesten worden gebracht. Sommigen waren er dagenlang zeer slecht aan toe.
Over de oorzaak bestond onzekerheid. Mogelijk speelde besmet voedsel of drinken een rol. Anderen vermoedden dat vliegen die afkomstig waren van een nabijgelegen begraafplaats de ziekte hadden verspreid. Zonder nader bewijs is de precieze oorzaak niet vast te stellen.
De overige zieken bleven zo goed mogelijk in de boomgaard. Rust en voedsel moesten helpen bij het herstel.
Een militair beschreef de situatie met wrange humor:

‘Overal in de boomgaard zag je mannen zo goed en kwaad als het ging met de broek op de schoenen in de hurkhouding, de witte billen als blikvanger in het donker. We riepen uit voorzorg al tegen de patrouilles het wachtwoord van die nacht: “Peach, peach!”’

Een andere herinnering maakt duidelijk hoe ernstig de ziekte kon verlopen:

‘Er woedde een complete oorlog in mijn darmstelsel. Dagenlang produceerde ik een mengsel van bloed en slijm en voelde mij zo ziek als ik nog nooit in mijn leven was geweest.’

Zelfs de muziek van de Britse troepen kon de mannen op den duur op de zenuwen werken:

‘We werden gek van die eeuwige doedelzakmuziek. We maakten zelfs plannen om die doedelzakspeler om te leggen.’

En over het eten werd eveneens geklaagd:

‘Vandaag worteltjes en aardappelen. Tjonge, het stonk de pot uit!’

Klik hier voor een reportage Moffen, muggen en mortieren van de NIMH over de gevechten in deze streek

Soldaat Nicolaas den Breejen sneuvelt
De nachtelijke spanning en verwarring eisten opnieuw een slachtoffer. Soldaat Nicolaas den Breejen bevond zich bij een luisterpost achter zijn Bren-gun toen hij werd doodgeschoten.
Een kameraad herinnerde zich:

‘Toen onze gevechtsgroep in de alarmstellingen zat, is Nico den Breejen van de luisterpost achter zijn Bren-gun doodgeschoten. Ik heb de jongen begraven achter het kerkje in Ranville op een plek gereserveerd als British Cemetery.’

Bij een andere beschrijving van de gebeurtenis wordt vermeld dat een militair naar buiten ging en daarbij onbedoeld een alarmsignaal in werking stelde. In de daaropvolgende verwarring werd Den Breejen door eigen vuur getroffen.
Den Breejen was, na wachtmeester Lammers, de tweede militair van de Brigade die tijdens deze gevechten sneuvelde.

Links het graf van soldaat N. den Breejen en daarnaast het graf van wachtmeester W. Lammers in Ranville.

De Duitsers trekken zich terug
In de vroege ochtend van 17 augustus ontving de Brigade het codewoord Paddle. Dit betekende dat de Duitsers de voorste linies hadden verlaten. Krijgsgevangen genomen Poolse en Duitse militairen bevestigden dat hun divisie zich terugtrok.
De Nederlandse militairen konden de verlaten Duitse stellingen innemen. Ze troffen er achtergelaten uitrusting aan, waaronder munitie, helmen en eetketels. Ook de loopgraven en schuilplaatsen vertoonden de sporen van het haastige vertrek.
Een militair herinnerde zich:

‘Een “Mof” werd gevangen genomen en riep nog steeds “Heil Hitler”. Zijn kameraad wilde met een handgranaat gooien en moest worden neergeknald.’

Een andere herinnering beschreef de verlaten stellingen:

‘De Duitsers hebben bij hun overhaast vertrek veel van hun uitrusting achter moeten laten: munitie, helmen, eetketels e.d. Bovendien hangt er in hun loopgravenstelsel een eigenaardige weeë lucht, die het Duitse soldatendom overal met zich mee schijnt te dragen en waar we geen verklaring voor gevonden hebben....’

De Brigade verplaatste zich naar Le Bas de Bréville, in de omgeving van Varaville. Daar hadden de Duitsers eveneens veel vernield. De Nederlandse militairen verbleven er enkele dagen in de verlaten stellingen.
Het hoofdkwartier werd ondergebracht in het zwaar beschadigde Château de Bénouville, vlak bij de brug over het Caen-kanaal die later bekend werd als de Pegasusbrug.

Bron: Leaflet

Het gebied rond Bénouville, waar het hoofdkwartier van de Brigade na het vertrek uit de stellingen bij St. Côme werd ondergebracht.

De Brigade trekt verder
Gevechtsgroepen I en III trokken verder naar het oosten. Geallieerde troepen slaagden erin met behulp van Baileybruggen de rivier de Dives over te steken. De Britse 3rd Parachute Brigade, die ten zuiden van de Prinses Irene Brigade opereerde, stuitte onderweg naar Dozulé op zware Duitse tegenstand. Verschillende aanvallen leverden aanvankelijk weinig resultaat op.
De Prinses Irene Brigade bleef tot 20 augustus in haar stellingen. Daarna trok zij verder richting Varaville en bereikte op 21 augustus Perriers. De Duitse troepen hadden Dozulé inmiddels verlaten; de Britse parachutisten namen het plaatsje op 21 augustus in. Bij Annebault vonden vervolgens nieuwe gevechten plaats.
De Nederlandse Brigade kreeg daar vooral patrouille- en verkenningstaken. Ook die waren niet zonder gevaar. Bij het weghalen van Britse gewonden uit een mijnenveld kwam militair G. Martens om het leven toen hij dekking zocht in een schuttersput waarin een boobytrap met handgranaten was aangebracht.
Gevechtsgroep II werd van de hoofdmacht gescheiden en naar Ouistreham verplaatst. De militairen moesten er de haven en de sluizen beschermen tegen mogelijke aanvallen vanuit zee.
Na de zware dagen bij St. Côme bood de nieuwe positie enige verlichting. Een militair herinnerde zich:

‘Voor het eerst konden we ons weer eens wassen: we sprongen ongekleed in het haventje, ongeacht de waarschijnlijk nog gemijnde obstructies. Heerlijk dat koele zilte water.’

Toch duurde het wachten voort. Tot 27 augustus waren er dagen waarop weinig gebeurde.

‘Vissen, vissen en nog eens vissen...’

En:

‘Zouden ze ons vergeten zijn?’

De gevechten bij St. Côme waren daarmee voorbij. De Brigade had haar eerste zware ervaringen aan het front opgedaan, maar de opmars door Frankrijk was nog lang niet ten einde.

De Zak van Falaise
Op 20 augustus 1944 kreeg de Prinses Irene Brigade het bevel zich gereed te maken voor een nieuwe verplaatsing. Gevechtsgroep I kreeg de bruggen bij Varaville als taak, terwijl Gevechtsgroep III naar Petitville trok. Gevechtsgroep II bleef voorlopig bij Ouistreham om de haven en de sluizen te bewaken. De verkenningsafdeling (Recce), die door dysenterie was verzwakt, kon nog niet volledig worden ingezet.
Het hoofdkwartier was ondergebracht in het zwaar beschadigde Château de Bénouville. De Duitsers hadden er een spoor van vernieling achtergelaten: het interieur was overhoopgehaald en boeken uit de bibliotheek lagen verspreid over de vloeren.
Intussen naderde de strijd in Normandië een beslissende fase. Duitse troepen waren in de Zak van Falaise in een geallieerde omsingeling terechtgekomen. Bij de gevechten werden tienduizenden Duitse militairen gevangengenomen en ging veel materieel verloren. Een deel van de Duitse troepen wist echter te ontsnappen en trok zich terug in de richting van de Seine.
De geallieerden wilden de terugtrekkende Duitse troepen zo snel mogelijk achtervolgen. De Prinses Irene Brigade zou samen met de Britse 6th Airborne Division langs de kust oprukken. De opdracht was om de vijand aan het front bezig te houden, terwijl andere onderdelen van de divisie ten zuiden van de Dives zouden oversteken en de Duitsers in de flank en de rug zouden aanvallen.



De opmars naar Pont-l’Évêque
De Brigade kreeg opdracht via Dozulé en Annebault op te rukken naar La Vallée Tontot, een plaats ten zuidwesten van Pont-l’Évêque. Daar zouden de militairen twee dagen in een boomgaard bivakkeren.
De omstandigheden waren nog altijd primitief. Een militair vertelde over de plek waar hij tijdens de opmars naar Pont-l’Évêque had geslapen:

‘De doorstoot naar Pont L’Evêque. Daar deelden we met twee man een kuil om te slapen. Dan kon je lekker onder twee dekens liggen. Ik had geen kuil gegraven maar er een gevonden. Lekker makkelijk. Bleken we in een Duitse latrine te liggen. Stinken de volgende morgen! Maar gelukkig waren er voorraden zat, dus konden we zo de spullen omwisselen.’

De dagen waren gevuld met verplaatsingen, patrouilles en het op orde brengen van het materieel. De Duitse terugtocht betekende niet dat het gevaar voorbij was. Achtergelaten explosieven en mijnen bleven een risico vormen.


Links Mattijs van Gorp bij zijn verkenningswagen. Let op de bren en het OZO-bord. (Bron: Adriaan en Co van Gorp)

Gevechtsgroep I en III van de Brigade rukte op naar het oosten waar geallieerde troepen erin slaagden met behulp van baileybruggen de rivier Dives over te steken. De 3de Para Brigade die ten zuiden van de Irene brigade optrok, ontmoette halverwege de weg naar Dozulé zware tegenstand, waarna drie dagen van niet succesvolle aanvallen volgden.
De Irene Brigade bleef in haar stelling tot 20 augustus, waarna ze Varaville bevrijdde en 21 augustus Perriers bereikte. Inmiddels hadden de Duitsers zich teruggetrokken van Dozulé en werd dit plaatsje 21 augustus ingenomen door de 3de Para Brigade, waarna er bij Annebault werd gevochten en de Duitsers zich daar ook terugtrokken. De Irenebrigade kreeg hier geen gevechtstaken toebedeeld, maar werd ingezet voor patrouille en verkenningsdiensten. Toch leverde dat ook gevaren op: bij het weghalen van Engelse gewonden uit een mijnenveld, dook G. Martens in een schutterput met daarin een boobytrap en handgranaten, toen hij probeerde te dekken voor een naderend vliegtuig en verloor daarbij het leven.
Gevechtsgroep II  werd gescheiden van de hoofdgroep en verplaatste zich naar Ouistreham (de haven van Caen, aan de monding van de Orne rivier) om de haven en de sluizen tegen mogelijke aanvallen vanuit zee te beschermen.

'Voor het eerst konden we ons weer eens wassen: we sprongen ongekleed in het haventje, ongeacht de waarschijnlijk nog gemijnde obstructies. Heerlijk dat koele zilte water.'

Klik hier voor een heel bekend voorval van Ton Herbrink nabij Varaville

Bezoek van prins Bernhard
Op 23 augustus 1944 kreeg de Brigade bezoek van prins Bernhard, samen met zijn adjudant, baron Van Tuyll van Serooskerken. De prins bezocht de verkenningsafdeling en Gevechtsgroepen I en III. Hij bracht de beste wensen van koningin Wilhelmina over en informeerde naar het moreel van de militairen.
Hij toonde belangstelling voor de dagelijkse omstandigheden van de mannen en luisterde zelfs enige tijd in een commandowagen naar het nieuws van de BBC. Later die dag bracht hij ook een bezoek aan Gevechtsgroep II bij Ouistreham.


Prins Bernhard in gesprek met de manschappen

Op weg naar Pont-l’Évêque
Op 24 augustus kwam het bericht dat de Prinses Irene Brigade onder bevel kwam van de Britse 5th Parachute Brigade. Die avond vertrok de Brigade in de richting van Pont-l’Évêque, ongeveer 25 kilometer verderop.
De eerste gevechten in Normandië hadden de Brigade duidelijk gemaakt wat het betekende om aan het front te dienen. De militairen hadden te maken gehad met artillerievuur, gewonden en gesneuvelden, ziekte en uitputting. Nu trok de Brigade verder, met de opdracht de terugtrekkende Duitse troepen te achtervolgen.
De strijd in Frankrijk was nog niet voorbij. De volgende fase van de opmars zou de Brigade verder naar het oosten voeren.

"De  doorstoot naar Pont L'Evèque. Daar deelden we met twee man een kuil om te slapen. Dan kon je lekker onder twee dekens liggen. Ik had geen kuil  gegraven maar er een gevonden. Lekker makkelijk. Bleken we in een Duitse latrine te liggen. Stinken de volgende morgen! Maar gelukkig waren er voorraden zat, dus konden we zo de spullen omwisselen.''

Klik hier voor dagboekpassages uit deze periode
Terug naar de inhoud