Breda - Langstraat - Prinses Irene Brigade

Ga naar de inhoud

Breda - Langstraat

In Nederland
Van Tilburg richting Breda
Op 27 oktober 1944 was Tilburg door de 15e Schotse Infanteriedivisie bevrijd. De Prinses Irene Brigade kreeg echter niet de gelegenheid om de stad samen met de Schotten binnen te trekken.
's Middags om 17.20 uur begon de afmars via Hilvarenbeek, Hoge en Lage Mierde, de Nederlands-Belgische grens en Arendonk naar Weelde. De troop werd hier om 19.30 uur ondergebracht in boerderijen.
De volgende morgen, 28 oktober, werd de reis voortgezet via Poppel, Goirle en Tilburg. In Tilburg werd een half uur rust gehouden, waarbij de Nederlandse militairen contact konden hebben met de bevolking. Daarna ging de tocht verder in de richting van Breda.

Theedrinken op de Bredaseweg, ter hoogte van Dongewijk  
                            
Brenschutter en infanterist  tussen Tilburg en Breda       

Van deze verplaatsing zijn verschillende foto's bewaard gebleven. Zo zijn er foto's van militairen die thee drinken op de Bredaseweg ter hoogte van Dongewijk en van een brenschutter en infanterist tussen Tilburg en Breda.


Bren carrier in stelling bij Hulten          

Verbindingswagen bij Rijen

Bron: Google Maps

Hulten en Rijen
De Brigade kreeg het bevel om te vertrekken naar Maasbrug, een verzamelrayon ten westen van Tilburg. Hier moest een gat worden gedicht dat rond Hulten en Rijen was ontstaan. Het gebied lag tussen de sector van de 1e Poolse Pantserdivisie enerzijds en Tilburg en omgeving, dat door de 15e Schotse Infanteriedivisie was bevrijd, anderzijds.
Voor deze opdracht kreeg de Brigade steun van de 4th British Tank Brigade. Bij aankomst kwam de Prinses Irene Brigade onder bevel van de 7th Armoured Division.
De verschillende onderdelen werden als volgt ingezet:

  • Gevechtsgroep I bezette het station van Rijen en patrouilleerde tussen Rijen en De Vijf Eiken.
  • Gevechtsgroep II nam stelling bij de viersprong van de wegen Rijen-Gilze en Tilburg-Breda.
  • Gevechtsgroep III kwam in reserve in Hulten.
  • De Verkenningsafdeling en de commandopost werden net buiten Hulten geplaatst.

Dorst en Seters
Op de ochtend van 29 oktober waren de Duitsers nog aanwezig in Dorst, ten westen van Breda. Pas in de avond werden zij door de Polen teruggedrongen tot achter de spoorlijn Breda-Tilburg. De Polen wilden zo snel mogelijk oprukken naar Moerdijk en kozen daarvoor de snelste route via Teteringen. Het bosgebied Seters, ten noorden van Dorst, had daardoor aanvankelijk niet hun belangstelling.
Nadat Hulten en Rijen waren veroverd, bleef de Irene Brigade in de omgeving patrouilleren. Duitse groepen bleven soms achter om sabotage te plegen en verwarring te stichten.
Op de middag van 30 oktober kwam een patrouille van de Verkenningsafdeling tijdens het patrouilleren toevallig buiten haar eigen sector terecht, in het gebied dat door de Polen was bevrijd. De militairen wisten niet dat de Polen het gehucht Seters hadden overgeslagen.
Een nieuwsgierige inwoner van Seters kwam een gevechtsauto en jeep tegen die uit de bossen kwamen. Eerst dacht hij dat het Engelse militairen waren, maar tot zijn verbazing spraken de mannen Nederlands. Zij vertelden dat zij van de Prinses Irene Brigade waren en met de geallieerden meevochten om Nederland te bevrijden.
Toen de man vertelde dat de Duitsers die ochtend al uit het gehucht waren vertrokken, deelden de militairen sigaretten en chocolade uit. Na een kort gesprek wees de inwoner hun de weg terug naar Hulten.
Het is daarom aannemelijk dat Seters door de Irene Brigade werd bevrijd.

In het bericht dat het hoofdkwartier van de Brigade op 30 oktober 1944 om 17.30 uur ontving, Dagboek van Gevechtsgroep III, nr. 162, stond: „Uitgereden patrouilles melden terrein Gilze-Rijen-Dorst vrij van vijand. U kunt volstaan met 2 man per bren, personeel blijft bij de stelling doch kan rusten.”

Bron: Google Maps

Naar Oosteind en de Bergsche Maas
Op 31 oktober werd een nieuwe order ontvangen. De Brigade vertrok 's morgens uit Hulten naar de nieuwe bestemming 's-Gravenmoer-Oosteind. Men was gedwongen via Tilburg te rijden, omdat alle bruggen over het Wilhelminakanaal waren opgeblazen.
Op 1 november betrokken Gevechtsgroepen I en III stellingen bij Waspik-Raamsdonkveer. Vanuit deze posities werden patrouilles naar de Bergsche Maas uitgezonden om infiltratiepogingen van Duitse militairen in zuidelijke richting te voorkomen.

Een krijgsgevangene aan de Bergsche Maas
Aan de Bergsche Maas werden wachtposten ingericht. Twee soldaten stonden op wacht en bemanden een lichte Brenmitrailleur. Volgens een naoorlogse herinnering zouden zij om 02.00 uur worden afgelost. Om 02.15 uur was de aflossing echter nog steeds niet verschenen. Een van de twee soldaten ging naar de groep om te kijken waar de aflossing bleef. De aflossers bleken nog te slapen. Omdat zij gekleed sliepen, konden zij zich snel gereedmaken. Om 02.35 uur kwamen zij bij de wachtpost aan, maar daar troffen zij noch de wachtpost, noch de Brenmitrailleur aan.
De pelotonscommandant werd onmiddellijk gewaarschuwd en ging met twee soldaten op zoek naar de verdwenen man. De afstand tot de Maas bedroeg ongeveer 150 meter. Aan de overkant zagen zij een bootje aanleggen. Omdat zij veronderstelden dat de gezochte soldaat zich mogelijk in het bootje bevond, besloten zij niet te schieten. Zij keerden terug naar de wachtpost, waar inmiddels een andere Brenmitrailleur was geplaatst.
Pas later werd duidelijk wat er was gebeurd: de soldaat was door een Duitse patrouille meegenomen. Toen de Brigade in mei 1945 in Den Haag was, meldde de man zich weer bij zijn eenheid. Hij was door de Duitsers uiteindelijk naar de kazerne in Den Haag doorgestuurd.
De naam van deze brigadist is helaas nog niet achterhaald. In de herinnering waarin het verhaal is vastgelegd, staat: „Ik ben de naam helaas vergeten.”
Het verhaal wordt daarin aangeduid als de „eerste en enige krijgsgevangene van de Brigade”. Deze formulering moet echter voorzichtig worden geïnterpreteerd, omdat de Brigade tijdens haar oorlogsinzet ook op andere momenten Duitse militairen gevangen nam. Waarschijnlijk heeft de herinnering betrekking op deze specifieke periode en het vak Waspik-Raamsdonkveer.



De Irene-artillerie bij het Markkanaal
De artilleriebatterij van de Brigade bestond uit zes Engelse 25-ponder vuurmonden. De batterij werd toegevoegd aan de artilleriegroep 5 R.H.A. (Royal Horse Artillery), die de 1e Poolse Pantserdivisie zou ondersteunen bij een aanval op het Markkanaal.
Volgens de verslaggeving in het dagboek van de artilleriebatterij ging de artillerie op 31 oktober in stelling op de coördinaten 40576-54251. Deze positie lag halverwege tussen Oosteind en 's-Gravenmoer.
De Polen bereidden zich in deze dagen voor op de oversteek van het Markkanaal. De artillerie van de Irene Brigade gaf ondersteuning aan de aanval van de Poolse Pantserdivisie. Duitse stellingen werden onder vuur genomen en in totaal werden 1.139 projectielen verschoten.

De oversteek van het Markkanaal
In de vroege morgen van 3 november 1944 stak de 1e Poolse Pantserdivisie, met het 9e Bataljon Strzelców, op twee plaatsen het Markkanaal bij Oosterhout over. Bij Ter Aalst, bij Café De Loswal, verliep de oversteek redelijk goed. Bij de sluizen in Oosterhout boden de Duitse verdedigers echter verwoed tegenstand.
Het duurde tot in de late namiddag voordat een Baileybrug kon worden gebouwd die sterk genoeg was om de tanks te dragen. Later die dag konden de Poolse tanks verder oprukken en Den Hout, ten westen van Oosterhout, bevrijden.
Bij deze zware gevechten kwamen ongeveer 30 Poolse en circa 100 Duitse militairen om het leven.
Generaal Stanisław Maczek, commandant van de 1e Poolse Pantserdivisie, liet door middel van een bericht op 5 november 1944 duidelijk blijken dat hij de ondersteuning van de Irene Brigade waardeerde.


                                                                  Defilé in Tilburg op 4 november 1944

Defilé in Tilburg
Op 4 november werden de manschappen die niet in de voorste linie nodig waren naar Tilburg gestuurd. Daar werd een kleine parade gehouden. Prins Bernhard en het gemeentebestuur waren aanwezig en de Irene Brigade werd gehuldigd voor haar bijdrage aan de bevrijding van Tilburg.

De Langstraat
Tussen 5 en 11 november werden de verschillende onderdelen van de Irene Brigade over de Langstraat verspreid.
De Verkenningsafdeling werd geplaatst bij een afwateringskanaal in Baardwijk. Gevechtsgroep II lag in Waalwijk en Gevechtsgroep I tussen Besoyen en Waalwijk. De Artillerie en de Staf werden in Kaatsheuvel geplaatst. Gevechtsgroep III lag in reserve in Loon op Zand.
In de omgeving van deze troepen lagen veel mijnenvelden. Tijdens een patrouille langs de Maas liepen enkele militairen op een mijn. Onder hen waren wachtmeester Bloemen, Heesakkers, Velthuizen en Van Lienden, die daarbij zwaar gewond raakten.



Naar Zeeland
Op 8 november eindigde de georganiseerde Duitse weerstand op Walcheren. Daarmee kwam de strijd om het eiland ten einde en kon de Scheldemonding verder worden opengesteld voor de geallieerde scheepvaart naar Antwerpen.
De Irene Brigade werd gevraagd om, onder bevel van de Lowland Division, in Zeeland bewakingstaken uit te voeren.
Op 9 november bezocht minister van Oorlog Van Lidth de Jeude de Irene Brigade. Hij was het eerste lid van de Nederlandse regering dat tijdens de bevrijding de grens bij Poppel overschreed.
Op 11 november vertrok de Brigade naar Wuustwezel in België om daar een weekend tot rust te komen. De militairen kwamen terecht op een iets aflopend stuk grasland tegenover een boerderij. Sommigen kregen de gelegenheid om de volgende morgen voor ontspanning een dag naar Antwerpen te gaan.
Op 14, 15 en 16 november vertrok de Brigade vervolgens via Putte, het zwaar gehavende Hoogerheide, Woensdrecht en Goes. Vanaf Arnemuiden ging een deel van de Brigade zelfs te voet naar Veere.
Daarmee kwam een einde aan de periode waarin de Prinses Irene Brigade betrokken was bij de bevrijding van Tilburg, het gebied rond Breda en de Langstraat. De Brigade zou vervolgens op Walcheren worden ingezet.
Terug naar de inhoud