Engelandvaarders
Rekrutering > Engelandvaarders
Engelandvaarders




Marinier 3e klasse Ton Loontjes maart 1940
De gevaarlijke weg naar Engeland
Tijdens de Tweede Wereldoorlog probeerden duizenden Nederlanders het bezette Nederland te ontvluchten. Zij wilden zich aansluiten bij de geallieerde strijdkrachten, contact leggen met de Nederlandse regering in ballingschap of op een andere manier bijdragen aan de bevrijding van hun vaderland.
De naam Engelandvaarder ontstond in de eerste oorlogsjaren. De term werd gebruikt voor Nederlanders die erin slaagden Engeland te bereiken, vaak na een gevaarlijke en langdurige ontsnappingstocht. Sommigen staken de Noordzee over in een bootje, anderen reisden via België, Frankrijk, Zwitserland en Spanje naar Portugal. Er waren ook Nederlanders die via andere landen of overzeese gebieden uiteindelijk in Engeland aankwamen.
Volgens de huidige inventarisatie van het Nationaal Archief zijn 2.150 personen als Engelandvaarder aangemerkt: 2.082 mannen en 68 vrouwen. Daarnaast bereikten nog andere Nederlanders Engeland, maar zij vallen niet allemaal onder de officiële categorie Engelandvaarders.
De ontsnapping was vaak slechts het begin van een nieuw en onzeker avontuur. Wie Engeland bereikte, moest zich melden bij de Britse autoriteiten en kon rekenen op uitgebreide ondervragingen. Pas nadat zijn of haar identiteit en betrouwbaarheid waren vastgesteld, kon de verdere toekomst worden bepaald.
Voor een deel van de Engelandvaarders betekende dit dat zij in militaire dienst traden. Sommigen kwamen terecht bij de Koninklijke Marine of de Nederlandse luchtmacht, anderen bij de Nederlandse strijdkrachten die in Groot-Brittannië werden opgebouwd. Een aantal van hen zou uiteindelijk dienen bij de Koninklijke Nederlandse Brigade Prinses Irene.
De ontsnapping door Europa
De route door Europa was voor veel Engelandvaarders de enige mogelijkheid om Engeland te bereiken. Internationale reizen waren door de Duitse bezetter verboden of sterk aan banden gelegd. Treinen werden gecontroleerd en reizigers moesten hun identiteit en reisdoel kunnen aantonen.
Valse papieren, hulp van betrouwbare tussenpersonen en een goede voorbereiding waren daarom vaak noodzakelijk. Via België en Frankrijk probeerden vluchtelingen de grens met het neutrale Zwitserland te bereiken. Van daaruit reisden zij verder door Frankrijk, richting Spanje.
De omstandigheden waren niet overal hetzelfde. Na de Franse nederlaag in juni 1940 werd het land verdeeld in een door Duitsland bezet gebied en een zuidelijke zone die werd bestuurd door het regime van maarschalk Philippe Pétain vanuit Vichy. Ook in het zuiden bleven vluchtelingen echter kwetsbaar. Grenscontroles, arrestaties en veranderende politieke omstandigheden maakten de reis gevaarlijk.
In november 1942 bezetten Duitse troepen ook het tot dan toe onbezette deel van Frankrijk. Daarmee werd de ontsnappingsroute nog moeilijker.
Wie Spanje wist te bereiken, was nog niet automatisch veilig. Ook daar konden vluchtelingen worden aangehouden of vastgezet. De reis naar Portugal en vervolgens naar Engeland vereiste vaak nieuwe contacten, geld en geduld.
De tocht door de Pyreneeën
De oversteek van de Pyreneeën was een van de gevaarlijkste onderdelen van de ontsnapping. Vluchtelingen waren afhankelijk van lokale gidsen, vaak aangeduid als passeurs, die de weg kenden en hen langs bewaakte grensposten konden leiden.
Een Engelandvaarder beschreef zijn ervaringen als volgt:
'Geholpen door boeren, een wijnbouwer en een pastoor begonnen wij aan onze tocht door de Pyreneeën. Vier dagen zwierven we door dat gebergte. Drieduizend meter hoog langs de Pic Cher: sneeuw, ijs en mist. Mijn handen en voeten waren kapot. In een smalle kloof bleef ik hangen boven een ravijn..'
De tocht vergde niet alleen lichamelijke inspanning, maar ook een groot doorzettingsvermogen. Sneeuw, ijs, mist en steile berghellingen konden de vluchtelingen in levensgevaar brengen. Wie uitgeput raakte of gewond werd, kon de groep ophouden en daarmee ook de andere deelnemers in gevaar brengen.
Een andere Engelandvaarder vertelde over de hulp die hij onderweg van een schaapherder kreeg:
'In een vallei was een schaapherder die ons brood met uienringen gaf en ons liet drinken uit zijn wijnzak. Binnen een paar uur bracht hij ons naar de Spaanse kant. Als beloning gaven wij hem onze vulpennen, waarin de microfilms nog zaten, die we eigenlijk moesten afgeven in Barcelona.'
Dit citaat laat zien dat de ontsnapping niet uitsluitend om het bereiken van Engeland draaide. Sommige vluchtelingen vervoerden ook informatie op microfilm. De passage roept vragen op over de bestemming en de aard van die informatie. Zonder aanvullende gegevens kan echter niet worden vastgesteld wat de microfilms precies bevatten of wat er uiteindelijk mee is gebeurd.
De verhalen over de Pyreneeën maken duidelijk hoe sterk de Engelandvaarders afhankelijk waren van de hulp van plaatselijke bewoners. Boeren, geestelijken, wijnbouwers en professionele gidsen konden het verschil betekenen tussen een geslaagde ontsnapping en een fatale afloop.

Foto: Mike Faherty, ‘Wandsworth, Royal Victoria Patriotic Building’, via Wikimedia Commons. Licentie: CC BY-SA 2.0.
Aankomst in Engeland: de Patriotic School
Het bereiken van Engeland betekende niet dat de Engelandvaarders direct vrij waren om hun weg te vervolgen. De Britse autoriteiten wilden weten wie zij waren, hoe zij Engeland hadden bereikt en of zij betrouwbaar waren.
Een belangrijke plaats voor de opvang en ondervraging was de Royal Victoria Patriotic School in Wandsworth, Londen. Het gebouw werd tijdens de oorlog gebruikt voor het onderzoek naar buitenlandse vluchtelingen en nieuw aangekomen Engelandvaarders.
De Britse veiligheidsdienst MI5 onderzocht hun identiteit en achtergrond. Men wilde voorkomen dat Duitse agenten onder het mom van vluchteling of Engelandvaarder het land binnenkwamen. Ook werd nagegaan welke route de vluchtelingen hadden afgelegd, met wie zij onderweg contact hadden gehad en waarom zij naar Engeland waren gekomen.
Een Engelandvaarder beschreef zijn verblijf in de Patriotic School als volgt:
'In de ongeveer tien dagen dat ik in de Patriotic school verbleef, werd ik meermalen ondervraagd en wilde men precies weten met welke reden ik naar Engeland was gekomen en moest de plaatsen noemen waar ik geweest was en bij wie ik onderdak had gekregen. Je leefde er helemaal afgezonderd van de buitenwereld. Je mocht wel enkele keren per dag rondwandelen op de afgesloten buitenplaats. Hier rook je Londense smog en zag je in de lucht diverse kleine Zeppelins aan kabels boven de stad hangen.'
De zogenaamde kleine Zeppelins waren vermoedelijk de Britse kabelballonnen die boven Londen werden ingezet als onderdeel van de luchtverdediging. Deze ballonnen moesten laagvliegende vijandelijke vliegtuigen hinderen. Ze waren met kabels aan de grond verankerd en vormden een opvallend onderdeel van het oorlogsbeeld boven de stad.
Het leven in de Patriotic School was streng geregeld. De bewoners konden niet zomaar naar buiten en hadden weinig contact met de buitenwereld. De ondervragingen konden langdurig en vermoeiend zijn.
Ook de nachtelijke bombardementen maakten indruk op de nieuw aangekomen Nederlanders:
'Als er 's nachts luchtalarm was moest je je verzamelen in een grote gemeenschappelijke ondergrondse ruimte. Als het lawaai van bominslagen en sirenes afnam, kwam er het 'all clear'-toon van de sirenes en vertrok iedereen weer naar zijn kamer.'
Voor mensen die uit het bezette Nederland waren gevlucht, was het een vreemde ervaring om ook in Engeland met oorlog en bombardementen geconfronteerd te worden. Zij hadden de vrijheid bereikt, maar de oorlog was nog lang niet voorbij.
Van de Britse naar de Nederlandse ondervraging
Na de ondervraging door de Britse veiligheidsdienst volgde in veel gevallen een onderzoek door Nederlandse instanties. Ook de Nederlandse autoriteiten wilden zekerheid over de identiteit en betrouwbaarheid van de Engelandvaarders.
Een van de betrokkenen beschreef deze overgang als volgt:
'Na verhoren door de Engelse Mi5 werden we overgedragen aan de Nederlandse instanties en begon alles weer van voren af aan.'
De Nederlandse ondervragingen waren erop gericht de achtergrond en de motieven van de vluchtelingen verder te onderzoeken. De autoriteiten wilden weten of de nieuwkomers daadwerkelijk aan de Duitse bezetting waren ontsnapt en of zij mogelijk informatie hadden die van belang was voor de Nederlandse regering of de geallieerde strijdkrachten.
Bij deze onderzoeken speelde Oreste Pinto een rol. Pinto was betrokken bij de ondervraging van Nederlandse Engelandvaarders en probeerde hun betrouwbaarheid vast te stellen.
Een Engelandvaarder herinnerde zich Pinto op beeldende wijze:
'Die Pinto was de ene keer een charmante vaderlijke ondervrager en een andere keer leek hij op een agent van de Gestapo. Hij zat daar achter zijn bureau onder het staatsieportret van Koningin Wilhelmina. Hij was vrij gezet en had een getaand gezicht, zwart haar en grote donkere ogen, die groter leken door de bril met die bolle glazen. Tijdens de ondervraging blies hij met zijn pijp een lange rookkegel voor zich uit.'
Deze herinnering laat zien hoe indrukwekkend en soms intimiderend de ondervragingen konden zijn. De Engelandvaarders moesten hun verhaal steeds opnieuw vertellen en konden pas verder wanneer hun betrouwbaarheid voldoende was vastgesteld.
Wie niet door de screening kwam, kon niet zonder meer toetreden tot de Nederlandse strijdkrachten. De onderzoeken waren daarom een noodzakelijke, maar voor de betrokkenen vaak frustrerende fase van hun verblijf in Engeland.
De herinneringen van Tony Herbrink
Ook staflid Tony Herbrink herinnerde zich het verblijf in de Patriotic School nog goed. Hij beschreef hoe de vluchtelingen werden ondervraagd en hoe weinig bewegingsvrijheid zij hadden.
"Alle vluchtelingen werden daar ondervraagd, uitgehoord en aan een soort kruisverhoor onderworpen. Het verblijf aldaar was bepaald niet aangenaam. De eerste dag al kwamen wij tot de ontdekking dat er ruim 2000 personen waren ondergebracht in een serie gebouwen. Ruim 1500 van hen waren Senagalezen. Generaal de Gaulle probeerde al deze mensen over te halen om in actieve militaire dienst te komen, opgeleid te worden en dan onder gebracht te worden in een divisie en onder zijn bevel te zijner tijd Frankrijk weer te bevrijden.'
Wij waren ondergebracht in een betrekkelijk klein gebouw. De kamer, waar wij met zeven personen werden ondergebracht, was niet al te groot. Zeven bedden, zeven stoelen, vier kasten en twee tafeltjes was het meubilair. Ruimte om te bewegen was er nauwelijks. Het dienstdoende personeel vertelde ons dat de kamer ook alleen maar bedoeld was om te slapen en niet om als huiskamer aangemerkt moest worden. Beweging moesten wij dus buiten zoeken. In de kamer was een soort dagindeling op de deur geplakt."
Herbrinks herinnering geeft een concreet beeld van het dagelijks leven in het opvangcomplex. De bewoners moesten zich aan een vaste dagindeling houden en hadden weinig ruimte voor zichzelf. De ondervragingen en het wachten maakten het verblijf extra zwaar.
De passage over de Senegalese militairen verwijst naar de bredere internationale situatie in Londen. Daar verbleven tijdens de oorlog niet alleen Nederlandse vluchtelingen, maar ook militairen en burgers uit andere landen die door de Duitse bezetting of de oorlog waren getroffen.
De eerste militaire uitrusting
Na de screening konden de Engelandvaarders die voor militaire dienst in aanmerking kwamen, worden gekeurd en ingedeeld. Daarmee begon voor hen een nieuwe fase.
Een van hen herinnerde zich zijn eerste uitrusting:
'Ik woonde zolang in een oud Engels herenhuis in een kleine kale kamer. Daar zaten soldaten uit alle windstreken. Toen ik medisch was goedgekeurd, kreeg ik een Soldiers Pay Book en ontving van de foerier een gebruikte battledress, een helm, lange onderbroek, kaki toilettas en tenslotte een geweer.'
Het Soldiers Pay Book was een militair boekje waarin onder meer gegevens over de soldaat en zijn soldij werden bijgehouden. De battledress was het Britse gevechtsuniform dat ook door Nederlandse militairen in Britse dienst werd gedragen.
Voor de Engelandvaarders was de uitgifte van een uniform en een geweer een belangrijk moment. Na een gevaarlijke ontsnapping en een langdurige screening konden zij daadwerkelijk beginnen aan hun militaire loopbaan.
Niet iedere Engelandvaarder werd bij dezelfde eenheid ingedeeld. Sommigen gingen naar de Koninklijke Marine, anderen naar de luchtmacht of speciale eenheden. Een deel kwam terecht bij de Koninklijke Nederlandse Brigade Prinses Irene.


De Koningin en de prins bij de deur
Oranjehaven in Londen
Naast de militaire opvang bestonden er voorzieningen waar Nederlanders elkaar konden ontmoeten en aan het leven in Engeland konden wennen.
Het Nederlandse tehuis Oranjehaven was gevestigd op 23 Hyde Park Place in Londen. Hier konden Nederlanders elkaar treffen, iets eten of drinken en acclimatiseren. De Nederlandse instanties hielpen bij het vinden van onderdak en zorgden ervoor dat nieuw aangekomen Nederlanders de noodzakelijke kleding en een financiële tegemoetkoming kregen.
Voor veel Engelandvaarders was Oranjehaven een plek waar zij na de spanning van de ontsnapping en de ondervragingen eindelijk andere Nederlanders konden ontmoeten. Zij konden er ervaringen uitwisselen en hoorden er soms voor het eerst nieuws over familieleden of bekenden.
De opvang had ook een praktisch doel: de Nederlandse autoriteiten moesten bepalen welke toekomst voor iedere nieuwkomer het meest geschikt was. Wie militair wilde worden en daarvoor werd goedgekeurd, kon vervolgens aan een opleiding beginnen.
De smokkel van mensen en geheime informatie verliep soms via dezelfde routes. De zogenaamde Zwitserse Weg speelde een rol bij het doorgeven van informatie uit bezet gebied aan Engeland. Daarbij waren contacten met betrouwbare tussenpersonen van groot belang.
Een ontsnapping per watervliegtuig

Fokker T8W
Een van de opmerkelijkste ontsnappingen naar Engeland was die van jonkheer J.J.G. Beelaerts van Blokland en drie metgezellen. Zij wisten in mei 1941 een Duits watervliegtuig te bemachtigen dat in de Minervahaven in Amsterdam lag.
De andere drie deelnemers waren piloot Govert Steen, Fokker-technicus Lindeman en verzetsman Boomsma. Het toestel was een Fokker T.8W-watervliegtuig.
Beelaerts van Blokland vertelde later hoe hij het toestel had ontdekt:
'Ik fietste langs de Minervahaven en zag daar, het was haast niet te geloven, een Duitse Fokker watervliegtuig T8W liggen. Het toestel lag 100 meter van de kade, we moesten een rubberboot hebben maar die kon je toen niet meer krijgen. Ik herinnerde mij dat een van mijn leerlingen nog een drijfzak had.'
Een drijfzak was bedoeld om iemand op het water drijvend te houden. De mannen gebruikten het hulpmiddel om het watervliegtuig te bereiken.
'In de vroege morgen, ongeveer een week later, peddelden we daarmee naar het toestel, klommen erop en erin. Steen had nog nooit met zo'n ding gevlogen. Ik kon dat ook niet, maar had bij de cavalerie wel geleerd hoe je richting moest bepalen. Steen friemelde wat aan wat draden en startte eindelijk de motoren, waarvan er een haperde. Toen bleek dat het vliegtuig nog verankerd lag en draaide wij grote cirkels in het water. Dat anker opgehaald. De Duitsers stonden aan de walkant naar ons gestuntel te kijken maar grepen niet in, want ze dachten dat we oefenvlucht zouden maken.'
De mannen wisten uiteindelijk het toestel los te krijgen en voeren met het vliegtuig de haven uit. Zij beschikten niet over de juiste kaarten en moesten navigeren met beperkte hulpmiddelen.
'We schoten door de haven, scheerde langs de Hembrug het Noordzeekanaal op. We kwamen onder het wolkendek. Kaarten hadden we niet, alleen mijn Bézar legerkompas. Steen wilde naar Lowestoft in Zuid-Engeland vliegen om daar op een breed strand te landen. Opeens ontdekten we dat de zon aan de verkeerde kant van onze kist stond: mijn kompas deugde blijkbaar niet en we vlogen dus richting Frankrijk. We keerden en twintig minuten later zagen we een kust vol rotsen en Engelse huizen.'
Toen zij de Engelse kust bereikten, werden zij onder vuur genomen door de Britse luchtafweer. Het vliegtuig droeg nog Duitse herkenningstekens, waardoor de Britse verdedigers niet konden weten dat het toestel was overgenomen door Nederlandse vluchtelingen.
'Plotseling werd er door de Britse luchtafweer op ons, door hakenkruizen voorziene watervliegtuig, geschoten. Landen konden we niet, want het strand stond vol met palen en stakels tegen een mogelijke Duitse invasie. Steen had van tevoren al gezegd dat hij alles wilde doen voor de vrijheid, maar dat hij beslist niet in brand wilde worden geschoten. Het vuren hield op, nadat we oranje-wit-blauwe vlag buiten het toestel lieten hangen.'
Het vliegtuig kon niet normaal afremmen. De hendel van het remmechanisme was in Amsterdam afgebroken, waardoor de landing op het water gevaarlijk werd.
'Doordat in Amsterdam de hendel van het remmechanisme was afgebroken, konden we geen vaart minderen en kwam het watervliegtuig op zijn neus in het water terecht. Na een hoge golf en wat geluk kwam het toestel weer recht en taxieden we naar de wal. Door de kustwacht werden we opgebracht en de bevolking van Broadstairs riep: "Well done the Dutch!" Daarna kregen we in de officiersmess de eerste van drie bacon en eggs op één morgen. Onder politiebegeleiding werden we naar Londen gebracht voor ondervraging door de Britse geheime dienst in de Patriotic School.'
De vlucht was geslaagd, maar de mannen moesten ook na aankomst de gebruikelijke ondervragingen ondergaan. Hun opmerkelijke ontsnapping laat zien hoeveel improvisatie en durf er soms nodig waren om bezet Nederland te verlaten.
Marinier Ton Loontjes: de eerste Engelandvaarder van de mariniers
Marinier 3e klasse Ton Loontjes maart 1940Een ander bijzonder verhaal is dat van marinier A. Loontjes, bekend als Ton Loontjes. Eind april 1944 werd hij, samen met honderd Nederlandse mariniers uit het Amerikaanse opleidingskamp Camp Lejeune, overgeplaatst naar de Prinses Irene Brigade.
Loontjes was toen 22 jaar oud. Zijn weg naar de Brigade was lang geweest. Hij was in februari 1940, op zeventienjarige leeftijd, bij het Korps Mariniers gekomen. Door zijn lengte kwam hij aanvankelijk alleen in aanmerking voor de functie van tamboer of pijper. Toen de oorlog uitbrak, werd hij echter als marinier ingedeeld.
De meidagen van 1940
Loontjes bevond zich in Rotterdam toen Duitsland Nederland binnenviel. Tijdens het bombardement en de gevechten konden de mariniers weinig uitrichten. Hij en anderen werden krijgsgevangen gemaakt en moesten helpen bij het opruimen van het puin.
Loontjes vertelde over de ontberingen die hij daarna meemaakte:
'Niemand had het nog over die cm te kort. Veel konden we echter tijdens het bombardement niet doen. Alle straten lagen onder vuur en we konden geen kant op. Al onze kleren waren verbrand en we werden ook nog eens krijgsgevangen gemaakt. We moesten meteen het puin uit de stad gaan ruimen. De tweede nacht werd de stemming slechter en dat kwam vooral door gebrek aan drinkwater. Er werd toen al geprobeerd om de aandacht te trekken van overvliegende vliegtuigen, desnoods van Duitsers, want alles leek beter dan zo rond te drijven en wellicht om te komen van de dorst.'
De groep verkeerde in een hachelijke situatie. Door de dorst, zeeziekte en uitputting werd het steeds moeilijker om vol te houden.
'Door het vele overgeven en verzwakking door gebrek aan water en voedsel, was het peddelen ook niet meer mogelijk. Gelukkig lag er een stuk zeil aan boord dat door een van de matrozen aan een opstaande rand werd bevestigd, zodat we toch weer enige voortstuwing hadden.'
De toestand verslechterde verder toen een van de mannen zeewater begon te drinken.
'De spanning en de dorst begonnen hun tol te eisen, waarna één van ons zeewater begon te drinken. Het resultaat was niet fraai, hij kreeg witte korsten en schuim op zijn mond en begon wartaal te spreken.'
De mannen wisten niet waar zij zich precies bevonden. De horizon en de weersomstandigheden maakten het moeilijk om land te herkennen.
'Aanvankelijk leek de derde dag zondag (23 november) de ergste van alles te worden. Grote wolken aan de horizon werden aangezien voor bergen, totdat het tegendeel bleek. Ook werd paniekerig geopperd dat we wellicht door het Kanaal richting Atlantische Oceaan waren gedreven. Dat klinkt nu vreemd, maar in de situatie van zeeziekte en gebrek aan water was dat zo gek nog niet.'
Ook bestond de angst dat zij terug naar de kust van Nederland of België waren gedreven.
'Ook dacht men dat we naar het land waren teruggedreven richting België of Nederland. Tegen de middag klaarde het weer op en zagen we iets dat op land leek. Er was ook een stipje zichtbaar dat bij nadering een vissersbootje bleek te zijn. De vraag was echter welke taal men daar zou spreken. Toen we op hoorafstand kwamen riep een van ons: "Are you English?" Hij antwoordde: "Yes". Dat was de mooiste "yes" wat ik ooit gehoord heb.'
Na 68 uur aan de Engelse kust
Na dagen op zee bereikten de mannen uiteindelijk de Engelse kust.
'Daarna werd peddelend en zeilend koers gezet richting kust, waarbij wonder boven wonder de motor warempel ook nog even heeft gelopen. We kwamen 68 uur na ons vertrek op de zuidoostkust van Engeland aan bij het kleine plaatsje Reculver, in het graafschap Kent. En zo kwam er een gelukkig einde aan die hachelijke onderneming, die toch ook heel anders en veel slechter had kunnen aflopen.'
De aankomst in Engeland bracht echter nog niet direct volledige vrijheid. Loontjes had geen documenten bij zich waarmee hij zijn identiteit kon aantonen. Hij maakte zich zorgen over de mogelijkheid dat de Britse autoriteiten hem niet zouden vertrouwen.
'Er waren in het verleden zogenaamde Engelandvaarders aangekomen met de hulp van de Duitsers. Deze personen waren na ontmaskering gefusilleerd. Of hij de waarheid sprak weet ik niet maar het gaf mij een onbehaaglijk gevoel, omdat ik geen enkel document bezat om aan te tonen wie ik was. Mijn mede Engelandvaarders en zelfs de beide matrozen, waren een week geleden nog volledige vreemden voor mij.'
Na veertien dagen van ondervragingen werden de mannen betrouwbaar bevonden. Loontjes beschreef hoe snel zijn leven daarna veranderde:
'Achteraf bleek dat ik me onnodig ongerust had gemaakt en na 14 dagen van ondervragingen werden wij allen betrouwbaar bevonden en waren echt vrij. Daarna verliep alles in een snel tempo. We kregen nieuwe burgerkleding, zakgeld en logeerden veertien dagen in een mooi hotel. Maar het hoogtepunt was het op theevisite gaan bij Hare Majesteit Koningin Wilhelmina. Een onvoorstelbare ervaring. 19 november was ik nog onder het juk van de Duitsers en drie weken later op bezoek bij Hare Majesteit de Koningin. Een unieke ervaring om nooit te vergeten.'
Koningin Wilhelmina verbleef in de oorlogsjaren in Engeland. Loontjes herinnerde zich dat zij op dat moment in Stubbings House bij Maidenhead woonde. In Londen beschikte zij ook over een verblijf aan Chester Square.
De bezoekers werden door generaal-majoor titulair François van 't Sant aan de koningin voorgesteld. Van 't Sant was particulier secretaris van de koningin en had een belangrijke rol binnen de Nederlandse inlichtingendienst.
Van Holyhead naar de commandoopleiding
Na zijn verblijf in Londen werd Loontjes overgeplaatst naar Holyhead in Noord-Wales. Daar diende hij aan boord van het depotschip Oranje-Nassau. Hij bewaakte er onder meer militairen die in afwachting waren van hun behandeling door de krijgsraad.
Na ongeveer een jaar kwam er een einde aan deze plaatsing. Loontjes werd samen met 25 anderen geselecteerd voor de commandoopleiding in Achnacarry, Schotland. De opleiding stond onder leiding van luitenant der mariniers Pronk.
Na afloop werd hij ingedeeld bij No. 2 Dutch Troop, onderdeel van No. 10 Inter-Allied Commando. Deze eenheid bestond uit commando's uit verschillende geallieerde landen.
De groep nam onder meer deel aan landingsoefeningen. Daarbij was het doel niet alleen de troepen voor te bereiden op amfibische operaties, maar ook de Duitsers te misleiden over de plaats waar de geallieerden werkelijk zouden landen.
Naar de Verenigde Staten
In het najaar van 1943 werd de groep met het passagiersschip RMS Queen Elizabeth naar de Verenigde Staten overgebracht. De Nederlandse mariniers werden ondergebracht in Camp Lejeune in North Carolina.
Het doel was om een kader op te leiden voor de vorming van een Nederlandse mariniersbrigade. Eind 1943 waren daar ongeveer vierhonderd Nederlandse mariniers verzameld, afkomstig uit verschillende delen van de wereld, waaronder Curaçao, Aruba, Suriname en Groot-Brittannië.
In het voorjaar van 1944 werd de opleiding voor honderd van deze mariniers onderbroken. Kolonel der mariniers M.R. de Bruyne wilde hen in Londen inzetten om de Prinses Irene Brigade op de vereiste sterkte te brengen.
Loontjes behoorde tot deze groep. Via Schotland en Wolverhampton kwam hij eind april 1944 in Dovercourt bij de Prinses Irene Brigade terecht.
Zijn levensloop toont aan dat de weg naar de Brigade voor sommige militairen zeer ingewikkeld kon zijn. Loontjes had de oorlog in Nederland meegemaakt, een gevaarlijke ontsnapping over zee achter de rug, een commandoopleiding gevolgd en een opleiding in de Verenigde Staten doorlopen voordat hij bij de Brigade werd ingedeeld.
Engelandvaarders bij de Prinses Irene Brigade
De Prinses Irene Brigade werd in de eerste oorlogsjaren opgebouwd uit Nederlandse militairen die in 1940 naar Engeland waren uitgeweken, aangevuld met vrijwilligers en dienstplichtigen uit verschillende delen van de wereld.
Engelandvaarders vormden een belangrijke aanvulling op deze groep. Zij brachten uiteenlopende ervaringen mee. Sommigen waren rechtstreeks uit Nederland ontsnapt; anderen hadden een lange reis via Frankrijk, Spanje of andere landen achter de rug. Weer anderen hadden zich buiten Europa gemeld om aan de strijd tegen Duitsland deel te nemen.
Niet iedereen werd bij de Brigade ingedeeld. De Nederlandse strijdkrachten hadden ook behoefte aan personeel voor de marine, de luchtmacht, de commando's en speciale diensten. Na de selectie en medische keuring werd bekeken waar iemand het best kon worden ingezet.
De Brigade bleef tot de geallieerde invasie van Normandië in 1944 in Groot-Brittannië gelegerd. Op 8 augustus 1944 landde zij in Normandië en nam vervolgens deel aan de geallieerde opmars door Frankrijk en België. In september 1944 bereikte de Brigade de Nederlandse grens. Uiteindelijk trok zij in mei 1945 Den Haag binnen.
Voor de Engelandvaarders die bij de Brigade dienden, was dit de bekroning van een lange weg naar vrijheid. Zij hadden vaak grote persoonlijke risico's genomen om de strijd tegen de Duitse bezetter voort te zetten. Een aantal van hen maakte de bevrijding van Nederland daadwerkelijk mee.
Hun verhalen verdienen het om bewaard te blijven. Niet alleen vanwege de spectaculaire ontsnappingen, maar ook vanwege hun volharding, hun keuzes en hun bereidheid om na aankomst in Engeland opnieuw aan een onzeker avontuur te beginnen.
Bronnen en verdere informatie
Nationaal Archief – Engelandvaarders, 1940-1945
Persoonlijke herinneringen van Tony Herbrink.
Eigen collectie en onderzoek van de webmaster.