Organisatie van rekrutering - Prinses Irene Brigade

Ga naar de inhoud

Organisatie van rekrutering

Rekrutering
Organisatie van de rekrutering

De opbouw van een Nederlandse strijdmacht in Groot-Brittannië
Na de Duitse inval in Nederland in mei 1940 vestigde de Nederlandse regering zich in Londen. Vanuit ballingschap wilde de regering, onder leiding van minister-president Pieter Sjoerds Gerbrandy, blijven deelnemen aan de strijd tegen Duitsland. Daarvoor was een Nederlandse strijdmacht nodig die aan de zijde van de geallieerden kon worden ingezet.


De regering hoopte met oorlogsvrijwilligers en het oproepen van dienstplichtigen een aanzienlijke militaire eenheid op te bouwen. De meest optimistische verwachtingen gingen uit van meer dan tienduizend militairen. In de praktijk bleek het bijeenbrengen van voldoende personeel echter een moeilijke opgave.

De invoering van de dienstplicht
Op 8 augustus 1940 vaardigde de Nederlandse regering in Londen een besluit uit dat Nederlandse mannen die in het buitenland verbleven, verplichtte zich voor militaire dienst te laten registreren. Het ging aanvankelijk om mannen die waren geboren tussen 1 januari 1904 en 1 januari 1921 en die in Groot-Brittannië, Noord-Ierland, Canada of de Verenigde Staten woonden, voor zover zij niet al in actieve dienst waren bij de land- of zeemacht.
In februari 1941 werd de regeling uitgebreid. De dienstplicht gold voortaan voor Nederlandse mannen van achttien tot tweeënveertig jaar die buiten het bezette gebied en de Nederlandse overzeese gebiedsdelen verbleven.
De oproep werd bekendgemaakt via Nederlandse ambassades en consulaten en door publicaties in onder meer het Londense Vrij Nederland en het in New York verschijnende blad De Knickerbocker.
De uitvoering leverde echter grote problemen op. De verblijfplaats van veel Nederlanders in het buitenland was niet bekend. Om hen op te sporen, was de medewerking van buitenlandse overheden nodig. Niet alle landen waren bereid die medewerking te verlenen.
Daarnaast werden veel mannen afgekeurd of vrijgesteld van dienst. Ook bleek het moeilijk om naleving van de oproep af te dwingen. Nederlanders die niet wilden dienen, verschenen soms eenvoudigweg niet.
Een andere factor was dat veel Nederlanders in hun nieuwe woonland al werk en een bestaan hadden opgebouwd. Sommigen kozen ervoor dienst te nemen in de strijdkrachten van dat land. Daarmee konden zij soms sneller de nationaliteit van hun nieuwe vaderland verkrijgen en aanspraak maken op een gunstiger vergoeding voor hun gezin. Ook Nederlanders die in bedrijven werkten die belangrijk waren voor de oorlogsindustrie, konden van militaire dienst worden vrijgesteld.

De resultaten van de rekrutering
De opbrengst van de rekrutering viel tegen. In Engeland meldde uiteindelijk niet meer dan ongeveer de helft van de opgeroepen dienstplichtigen zich voor dienst.
Canada en de Verenigde Staten leverden samen volgens de op deze pagina vermelde cijfers ongeveer 540 militairen. Zuid-Afrika droeg ongeveer 600 man bij. Daarnaast kwamen er rekruten uit het Midden-Oosten en, minder bekend, uit Oost-Afrika.
De tegenvallende resultaten dwongen de Nederlandse regering haar verwachtingen bij te stellen. Eind 1940 hoopte minister van Defensie in ballingschap Adriaan Dijxhoorn nog een brigade van drie- tot vijfduizend man te kunnen vormen.
Het doel was een zelfstandige, herkenbare Nederlandse eenheid die daadwerkelijk aan de bevrijding van West-Europa kon deelnemen. Om dat te bereiken, moesten de beschikbare militairen worden verzameld, gekeurd, opgeleid en organisatorisch ondergebracht.

Van het detachement in Porthcawl naar het Nederlandsch Legioen
In Wales bevond zich in Porthcawl een Nederlandse troepenmacht die aanvankelijk bekendstond als het Detachement Koninklijke Nederlandsche Troepen in Groot-Brittannië. Deze eenheid vormde een belangrijk beginpunt voor de verdere opbouw van de Nederlandse strijdkrachten in Engeland.
De naam werd al snel veranderd in Nederlandsch Legioen. De benaming sloot aan bij het Britse gebruik van de term Foreign Legions voor buitenlandse militaire eenheden die op Brits grondgebied verbleven.
De militairen droegen aanvankelijk Nederlandse uniformen. Later werden deze vervangen door Britse uniformen. Op de linkerbovenmouw werd een Nederlands herkenningsteken aangebracht: een leeuw met daaronder het woord Nederland.
Bij de uniformering werd rekening gehouden met de verschillende groepen die zich bij de Nederlandse strijdmacht aansloten. Op de website zijn afbeeldingen opgenomen van mouwemblemen van brigademilitairen uit Zuid-Afrika en Canada en van schouder- en mouwemblemen op de Britse battledress.


                              
Mouwemblemen van militairen uit Zuid-Afrika en Canada en schouder- en mouwemblemen die op de battledress werden gedragen

Het Depotbataljon
In augustus 1940 begon men de oorlogsvrijwilligers en dienstplichtigen die zich in Engeland bevonden, samen te brengen in een Depotbataljon. Dit vormde een verzamel- en organisatiepunt voor de Nederlandse militairen die beschikbaar kwamen.
Later voegden zich ook Nederlanders uit andere delen van de wereld bij deze groep, onder wie mannen uit Suriname, de Nederlandse Antillen en Argentinië.
Niet iedereen kon bij de Koninklijke Landmacht worden ingedeeld. Er was immers ook personeel nodig voor de Koninklijke Marine en de Nederlandse luchtstrijdkrachten. Bovendien hadden de Nederlandse departementen die in Engeland waren gevestigd behoefte aan personeel. Daarnaast voldeden niet alle kandidaten aan de militaire keuringseisen.
Slechts een deel van de beschikbare militairen kon daardoor worden ingezet bij de landmacht. Een nog kleiner deel was geschikt voor het mobiele gedeelte daarvan: de troepen die daadwerkelijk in het veld konden worden ingezet.

De komst van de Engelandvaarders
Naast de oorlogsvrijwilligers en dienstplichtigen die zich vanuit het buitenland meldden, sloten zich ook Engelandvaarders bij de Nederlandse strijdkrachten aan. Dit waren Nederlanders die uit het door Duitsland bezette vaderland waren ontsnapt en Engeland hadden weten te bereiken.
Hun ontsnappingen verliepen op uiteenlopende manieren. Sommigen staken met een bootje de Noordzee over. Anderen bereikten Engeland via België, Frankrijk, Spanje of Portugal. Er waren ook Nederlanders die met een schip wisten te ontkomen, bijvoorbeeld doordat een Nederlandse kustvaarder tijdens een reis plotseling koers naar Engeland zette.
De komst van deze mannen vergrootte de Nederlandse strijdmacht, maar hun achtergrond verschilde sterk. Sommigen hadden al militaire ervaring opgedaan voordat Nederland werd bezet. Anderen waren burgers die pas na hun aankomst in Engeland met een militaire opleiding begonnen.
De instroom bleef de daaropvolgende jaren doorgaan. Zowel vrijwilligers als dienstplichtigen uit verschillende landen en Engelandvaarders versterkten de Nederlandse eenheden.

Een persoonlijke herinnering uit Zuid-Afrika
De rekrutering bracht ook mannen naar Engeland die al langere tijd buiten Europa verbleven. Hun beeld van de oorlog verschilde soms sterk van dat van Nederlanders die de Duitse bezetting zelf hadden meegemaakt.
Een van hen vertelde over zijn ervaringen in Zuid-Afrika en zijn komst naar Engeland:

'Ik wist wel wat over de strijd in de Sahara natuurlijk. Over bezet Nederland minder. Je kreeg in Kaapstad wel eens wat nieuws via kranten of van mensen van de koopvaardij. maar je had geen idee van jodenvervolgingen ofzo. Ik was niet zo'n patriot, maar moest toch een keer voor mijn nummer op. Ik meldde mij in Wolverhampton bij de Verkenningseenheid (Recce), omdat het mij wel een aardige manier leek om auto te leren rijden.'

Deze herinnering laat zien dat de motivatie van de rekruten uiteenliep. Niet iedereen meldde zich uit uitgesproken vaderlandsliefde. Ook de omstandigheden waarin men woonde en werkte, de oproep voor militaire dienst en persoonlijke verwachtingen speelden een rol.
De Verkenningseenheid, internationaal aangeduid als Reconnaissance of kortweg Recce, hield zich bezig met verkenningstaken. Voor de militairen die daarbij werden ingedeeld, kon het werk onder meer het gebruik en besturen van militaire voertuigen omvatten.

De vorming van de Koninklijke Nederlandsche Brigade
Ondanks de tegenvallende rekrutering zette de Nederlandse regering de opbouw van de strijdmacht voort. Begin januari 1941 telde het Nederlandsch Legioen nog geen 1.500 man. Dat was aanzienlijk minder dan het aantal militairen dat nodig was om een volwaardige brigade te vormen.
Toch werd op 11 januari 1941 de naam gewijzigd in Koninklijke Nederlandsche Brigade. De naamswijziging onderstreepte de ambitie om een herkenbare Nederlandse brigade op te bouwen die als eenheid aan de geallieerde oorlogvoering kon deelnemen.
De verdere groei verliep geleidelijk. Militairen werden opgeleid, ingedeeld en voorbereid op hun toekomstige taken. De brigade kreeg steeds meer vorm, al bleef het aanvullen van de personeelssterkte een belangrijk aandachtspunt.
Bij Koninklijk Besluit van 26 augustus 1941 werd bepaald dat de Brigade met ingang van 27 augustus de erenaam Prinses Irene mocht dragen. Op 27 augustus 1941 overhandigde koningin Wilhelmina in Wrottesley Park bij Wolverhampton het vaandel aan de Brigade. De eenheid droeg voortaan de naam Koninklijke Nederlandsche Brigade Prinses Irene.
Tot begin 1944 bleven nieuwe rekruten in Engeland aankomen. Daarna werd de instroom sterk beperkt door de voorbereidingen voor de geallieerde invasie in West-Europa, Operatie Overlord. De Britse autoriteiten beperkten het reizen naar en binnen Groot-Brittannië vanwege de militaire geheimhouding en de naderende invasie.

Een internationale Nederlandse strijdmacht
De opbouw van de Koninklijke Nederlandsche Brigade was het resultaat van een internationale inspanning. Nederlandse mannen uit Groot-Brittannië, Canada, de Verenigde Staten, Zuid-Afrika, het Midden-Oosten, Oost-Afrika en andere gebieden sloten zich aan. Ook Engelandvaarders uit het bezette Nederland vonden hun weg naar de Nederlandse strijdkrachten.
Niet iedereen kwam bij dezelfde krijgsmacht of eenheid terecht. De Koninklijke Marine, de luchtstrijdkrachten, de Nederlandse departementen in Londen en andere onderdelen hadden eveneens personeel nodig. De mannen die bij de landmacht werden ingedeeld, vormden uiteindelijk de basis van de brigade die onder de naam Prinses Irene Brigade bekend zou worden.
De rekrutering kende aanzienlijke problemen en de oorspronkelijke verwachtingen werden niet gehaald. Toch wist de Nederlandse regering in ballingschap een militaire eenheid op te bouwen die later daadwerkelijk aan de bevrijding van West-Europa zou deelnemen.
De geschiedenis van de rekrutering laat zien hoe uiteenlopend de achtergronden en motieven van de militairen waren. Sommigen waren al beroepsmilitair, anderen dienstplichtig of oorlogsvrijwilliger. Weer anderen waren Engelandvaarders die na een gevaarlijke ontsnapping opnieuw een bijdrage wilden leveren aan de strijd tegen Duitsland.
Terug naar de inhoud