Porthcawl - Prinses Irene Brigade

Ga naar de inhoud

Porthcawl

Aankomst in Wales > Porthcawl

Porthcawl
Het verblijf van de Nederlandse militairen in Wales, juni 1940

Van Haverfordwest naar Porthcawl
Na hun vlucht uit Nederland en de daaropvolgende tocht door België en Frankrijk waren verschillende groepen Nederlandse militairen erin geslaagd Groot-Brittannië te bereiken. Eind mei en begin juni 1940 werden zij voorlopig ondergebracht in Haverfordwest, in het zuidwesten van Wales.
De beschikbare huisvesting bleek echter al snel onvoldoende. Daarom werden de militairen vanaf 10 juni 1940 overgebracht naar het kamp Dan-y-Craig bij Porthcawl, een kustplaats in Zuid-Wales.
Een marechaussee herinnerde zich de aankomst van zijn groep:

‘Op 12 juni iets voor zessen kwam het overschot van de marechaussee aan in het kamp, waarbij ik al snel een paar Vlissingers ontdekte, w.o. een zekere Dert.’

De Nederlandse militairen waren afkomstig uit verschillende onderdelen van de krijgsmacht, waaronder de infanterie, de cavalerie, de artillerie, de genie, de Luchtvaartafdeling, de politietroepen en de Koninklijke Marechaussee.
In mei en juni 1940 kwamen volgens de gegevens op de oorspronkelijke website ongeveer 120 officieren, 360 onderofficieren en 980 korporaals en soldaten naar Groot-Brittannië. Zij vormden de aanzet tot de opbouw van een Nederlandse strijdmacht op Britse bodem. Het commando over de troepen in Porthcawl was in handen van majoor Sas; de marechaussees stonden onder leiding van Den Beer Poortugael.


Overzicht diverse Brigadeplaatsen


                  Aankomst Nederlandse militairen in Porthcawl 13 juni 1940 (Foto's : M. Berrier)

Het kamp Dan-y-Craig
De naam Dan-y-Craig betekent ongeveer ‘onder de rotsen’. Het kamp lag in een glooiend landschap, niet ver van de zee. Aan de noordzijde bevond zich een hogere heuvel met begroeiing, waaronder hazelaar, lijsterbes en meidoorn.
Op het terrein waren aanvankelijk Canadese militairen van de luchtmacht ondergebracht. Mede dankzij de inspanningen van de al in Engeland aanwezige luitenant-kolonel Noothoven van Goor werd het kamp geschikt gemaakt voor de Nederlandse troepen.


Kaartje van Porthcawl, met daaronder de gedetailleerde plaats van het kamp in de wijk DanYGraig



De officiersmess lag in de omgeving van Chestnut Drive, aan het einde van Danygraig Avenue. De tenten stonden verder in de richting van de grens tussen Porthcawl en Penybont. Marechaussees en politietroepen werden onderaan de helling ondergebracht, ongeveer in het gebied van Lime Tree Way.

Een provisorisch tentenkamp
De eerste voorzieningen waren eenvoudig. Op het terrein stonden aanvankelijk slechts enkele grote tenten; veel andere tenten lagen nog opgevouwen op de grond. In korte tijd werd het kamp uitgebreid met tenten van verschillende afmetingen.
Het tentdoek was geïmpregneerd met carbolineum. De geur daarvan maakte het verblijf in de tenten bijzonder onaangenaam. Ook de dieren in en rond het kamp bezorgden de militairen overlast.
Een van hen herinnerde zich:

‘Konijnen zitten er bij honderden en fazanten kraaien ons 's morgens wakker. Duizenden grote grijze ratten brachten ons 's nachts een bezoek in de tenten en sleurden zelfs ons scheerzeep weg.’



Het provisorische tentenkamp in Porthcawl

De bewoners van tent 26: w.o. R. van Rijken, F. de Boer, J. Lissenberg, R. Snijders (Bron Van de Haa)

De persoonlijke uitrusting van veel militairen was na de vlucht uit Nederland en de tocht door Frankrijk sterk versleten. De mogelijkheid om zich te wassen en schone kleding aan te trekken, was dan ook welkom.
Een militair beschreef zijn eerste ervaringen:

‘Ik deed meteen mijn totaal versleten jasje uit. Mijn eigen broek was al in Frankrijk op de middennaad geheel in tweeën gevallen. Mijn ondergoed stonk. De doucheruimte in dit kamp was de hele dag open met heerlijk warm water.’

Bewaking en wantrouwen
De ontvangst van de Nederlandse militairen in Porthcawl was aanvankelijk weinig hartelijk. Het kamp Dan-y-Craig werd omringd door prikkeldraad en de eerste tijd bewaakt door Britse soldaten. De Nederlanders mochten het kamp niet zomaar verlaten. Ook moesten zij hun wapens en camera's inleveren.
Een van de militairen beschreef de situatie als volgt:

‘Was de ontvangst bij aankomst in Engeland al niet bijster enthousiast, in Porthcawl werden we helemaal behandeld als een partijtje vijfde kolonisten en moesten alle wapens en camera's inleveren. Wij mochten niet naar de stad en de bevolking had een verbod gekregen ons iets te verkopen.’

De Britse autoriteiten wilden zekerheid over de identiteit en betrouwbaarheid van de Nederlandse militairen. Tijdens de Duitse inval waren immers ook Duitse militairen en agenten actief geweest die zich voordeden als anderen. Daarom werden de achtergronden van de aangekomen Nederlanders onderzocht.
Kapitein F. van der Kroon werd samen met een kleine staf met dit onderzoek belast. Er werden enkele personen uit het kamp verwijderd en veroordeeld.
De snelle Duitse opmars had bovendien grote indruk gemaakt op de Nederlandse militairen. Velen hadden familieleden en vrienden in bezet Nederland achtergelaten en wisten niet wanneer zij hen zouden terugzien. De onzekerheid over de toekomst maakte het verblijf extra zwaar.

De bewaking wordt overgenomen
In een later stadium werd de bewaking overgenomen door Nederlandse marechaussees en leden van de politietroepen. Zij moesten de orde binnen en rond het kamp handhaven. Bij de ingang stond een autobus waarin de bewaking was ondergebracht.

De marechaussee had onder een deel van de Nederlandse militairen geen goede reputatie. Oude ervaringen uit Nederland speelden daarbij mee. Een militair herinnerde zich:

“Ik voelde me niet lekker bij die lui. Voor de oorlog reed ik een straatje voor ze om. Ze bekeurden je als je geen fietsplaatje had.”

Ook de indeling van het kamp riep ergernis op. De officieren hadden de beste plaatsen op het heuvelachtige terrein, terwijl de marechaussees lager werden ondergebracht.

“In het begin leek Porthcawl meer op een krijgsgevangenenkamp. Een heuvelachtig terrein, waarop de officieren de beste plaats hadden. De marechaussees waren wat apart gezet onderaan de heuvel. Blauwen, zo noemden ze ons nogal haatdragend.”

v.l.n.r. Van Dullemen, Van Eerselen Van de Haak (Bron Van de Haak)




Nieuwe uniformen en beperkte bewapening


De eerste Britse uniformen
Bij aankomst in Porthcawl waren de Nederlandse militairen niet meer in het bezit van al hun oorspronkelijke kleding en uitrusting. Tijdens de terugtocht door Nederland, België en Frankrijk was veel materieel verloren gegaan of achtergelaten. De Britten moesten daarom voorzien in nieuwe uniformen en een deel van de verdere uitrusting.

Sommige militairen konden al op hun eerste dag in het kamp een nieuw uniform ophalen bij een Britse fouriertent. Ze kregen een Britse battledress met lange broek, een koppel, een bajonet, een helm en een geweer. Ook het ondergoed en de schoenen werden verstrekt. De schoenen waren gewone leren werkschoenen met beslag op de zool en de hak. De battledressbroek had een grote zak op het linkerbovenbeen.

Daan van de Velde in zijn eerste battledress (Copyright: R. van de Velde)

Voor veel militairen betekende het nieuwe uniform een belangrijke stap naar hun nieuwe bestaan als Nederlandse militairen in Groot-Brittannië. De Britse kleding verving geleidelijk de Nederlandse uniformen waarmee zij uit Nederland waren vertrokken.

De Enfield P14 en de Irenehelm
Bij de uitrusting hoorde onder meer het Enfield P14-geweer, een Brits geweerontwerp uit de periode van de Eerste Wereldoorlog. De Nederlandse militairen kregen aanvankelijk echter maar weinig munitie. Volgens de gegevens op de oorspronkelijke website beschikten zij bij de uitgifte over slechts vijf patronen per geweer.


'Irenehelm' met kenmerkende gouden leeuw Enfield -P14

De uitrusting was daarmee nog lang niet voldoende om de Nederlandse troepen volledig gevechtsklaar te maken. Er was een groot tekort aan wapens en munitie. Bij oefeningen moesten de militairen soms bezemstelen gebruiken als vervanging voor geweren.
De Britse legerleiding had zelf te maken met grote tekorten na de gevechten in Frankrijk en de evacuatie bij Duinkerken. De bevoorrading van de Nederlandse troepen moest daarom geleidelijk plaatsvinden.Ook moesten de militairen wennen aan het gebruik van Britse uitrusting en de bijbehorende voorschriften.

Van Nederlandse naar Britse onderscheidingstekens
De overgang naar de Britse kleding verliep niet voor iedereen op hetzelfde moment. Volgens het bestaande bijschrift werden op 21 juni 1940 de eerste Engelse battledresses aan de grondtroepen uitgedeeld.
Ook de rangonderscheidingstekens veranderden. De Nederlandse rangtekens maakten plaats voor Britse onderscheidingstekens. Op de linkerbovenmouw werd een leeuw aangebracht, met daaronder een oranje banderol met de aanduiding ‘Nederland’.


Sgt. Theo Bot in grijze pak van de Politietroepen, met  grijs-oranje banderol met Netherlands op zijn mouw

Niet alle militairen droegen op hetzelfde moment dezelfde kleding. De overgang verliep geleidelijk, waardoor Nederlandse en Britse uniformen aanvankelijk naast elkaar te zien waren.

                                               
Kort na aankomst in Porthcawl: links Wim Veerkamp al in Engels uniform en rechts Albert Greeve nog in Nederlands uniform. Op 21 juni werden aan de grondtroepen de eerste Engelse battledresssen uitgedeeld.

Een tekort aan wapens en materieel
Hoewel de uitgifte van Britse uniformen een verbetering betekende, bleef de militaire uitrusting een groot probleem. De Nederlandse troepen beschikten aanvankelijk volgens de gegevens op de oorspronkelijke website over ongeveer driehonderd geweren, met vijf patronen per wapen, en enkele verouderde machinegeweren.
Bij oefeningen moesten de militairen soms bezemstelen gebruiken als vervanging voor geweren. Dat was geen ideale situatie voor een eenheid die zich moest voorbereiden op eventuele inzet aan het front.
De Britten kampten zelf met grote tekorten na de gevechten in Frankrijk en de evacuatie bij Duinkerken. Veel Brits materieel was verloren gegaan. De Britse legerleiding gaf daarom begrijpelijkerwijs voorrang aan de bevoorrading van de eigen eenheden.
Pas vanaf 1941 verbeterde de materiële situatie van de Nederlandse troepen geleidelijk door Britse leveranties.

De vorming van het Nederlandsch Legioen

Van losse groepen naar een militaire eenheid
De Nederlandse militairen die in Porthcawl bijeenkwamen, vormden aanvankelijk geen hechte, samenhangende eenheid. Ze waren afkomstig uit verschillende krijgsmachtonderdelen en hadden uiteenlopende ervaringen opgedaan tijdens de meidagen van 1940 en hun vlucht naar Engeland.
In eerste instantie werd de verzameling troepen aangeduid als het ‘Detachement Koninklijke Nederlandsche Troepen in Groot Brittannië’. Deze naam werd al snel veranderd in ‘Nederlandsch Legioen’, in het Engels Dutch Legion.
De nieuwe benaming paste bij de bedoeling om de militairen te organiseren tot een Nederlandse strijdmacht die de oorlog tegen Duitsland kon voortzetten. Daarvoor moesten de verschillende groepen worden samengebracht, de opleiding worden hervat en de organisatie worden verbeterd.
De vorming van een goed functionerende eenheid bleek echter niet eenvoudig. De militairen verschilden in leeftijd, opleiding, militaire ervaring en achtergrond. Ook bestonden er grote verschillen tussen beroepsmilitairen, dienstplichtigen en officieren.

Uitnodiging van Ltn.kol Sas voor de allereerste inspectie van het Kamp

Lees hier over de militairen die naar Londen werden overgeplaatst

Wantrouwen tegenover een deel van de officieren
Een van de problemen was het gebrek aan vertrouwen tussen een deel van de manschappen en hun officieren. Tijdens de chaotische vlucht uit Nederland en Frankrijk waren sommige militairen eerder in Engeland aangekomen dan anderen. Ook waren er gevallen waarin personen zich tijdens de vlucht een hogere rang hadden aangemeten dan zij werkelijk bezaten.
Een herinnering op de oorspronkelijke website beschrijft dit als volgt:

‘Op de boot van Engeland waren er verschillende officieren die zichzelf hadden gepromoveerd: een korporaal bleef twee jaar lang luitenant. Een medisch student beweerde arts te zijn. Kapitein Nolet bleek later sergeant Nolet te zijn...’

Een andere herinnering vermeldt:

‘De meeste officieren uit de Peellinie waren als eersten in Engeland. Dat zette veel kwaad bloed bij iedereen.’

Dergelijke ervaringen droegen bij aan het wantrouwen. Bovendien was niet iedere officier gewend om onder de moeilijke omstandigheden van het tentenkamp leiding te geven aan de troep. Sommige hoofdofficieren hadden voor de oorlog vooral bureauwerk verricht en waren het dagelijkse leven bij de troepen minder gewend geraakt.
Ook de houding tegenover het voortzetten van de oorlog verschilde. Een deel van de officieren zag weinig perspectief in verdere strijd en dacht eerder aan vertrek naar de Nederlandse gebieden overzee. Dat botste met de wens van militairen die juist naar Engeland waren gekomen om de strijd tegen Duitsland voort te zetten.
Een van de manschappen herinnerde zich:

‘Er was een enorm verschil tussen officieren en de gewone jongens. Er waren plaatsen waar je niet mocht komen en ik geloof ook dat de Engelsen de eerste tijd contact tussen ons en onze eigen officieren verboden. Een hoop van die officieren deugden niet, dat heeft een tijdje geduurd. Je kon niet zeggen dat we nou bepaald achting voor die lui hadden.’

De herinneringen laten zien dat de opbouw van het Legioen niet alleen een kwestie was van uniformen, wapens en organisatie. Ook het vertrouwen binnen de eenheid moest worden hersteld.

Lees hier over het moreel in het kampblad De Kampklok

De lichamelijke conditie van de militairen
Naast de organisatorische problemen speelde de lichamelijke conditie van de troepen een rol. De lange terugtocht, de ontberingen tijdens de vlucht en de onzekere periode na aankomst hadden hun sporen nagelaten.

Een aanzienlijk deel van de militairen voldeed volgens de oorspronkelijke beschrijving niet aan de gewenste lichamelijke eisen. Dat had onder meer te maken met de relatief hoge leeftijd van een aantal oorlogsvrijwilligers en beroepsmilitairen. Ook onder de marechaussees bevonden zich mannen die al jarenlang in dienst waren.
De oudste onderofficier was volgens de oorspronkelijke gegevens 57 jaar, terwijl de jongste marechaussee 22 jaar was. De gemiddelde leeftijd van de militairen wordt op de website vermeld als ongeveer 32 jaar.
De militaire leiding stond daarmee voor een lastige taak. Er moest een bruikbare gevechtseenheid worden gevormd uit mannen met uiteenlopende leeftijden, ervaringen en fysieke mogelijkheden. De opleiding, de lichamelijke training en de verdere organisatie moesten ervoor zorgen dat de troepen beter op hun toekomstige taken werden voorbereid.

Sterkte Nederlandse troepen op 30 september 1940
Het dagelijks leven in het kamp

Vroeg opstaan en leven in de buitenlucht
Het leven in het tentenkamp Dan-y-Craig was eenvoudig en soms behoorlijk ongemakkelijk. De militairen moesten wennen aan het leven in tenten, de beperkte voorzieningen en het dagelijkse militaire ritme.
Een van hen beschreef een gewone dag als volgt:

‘Om zes uur werd je gewekt en om half negen was het ontbijt. Het wassen en plassen geschiedde in de open lucht en de douches lieten ook nog wat frisse lucht langs je heen waaien.’

De sanitaire voorzieningen waren eenvoudig. De mannen moesten zich grotendeels buiten wassen en de douches boden weinig bescherming tegen de weersomstandigheden. Toch waren ze blij dat er warm water beschikbaar was. Na de lange vlucht uit Nederland en de tocht door Frankrijk was dat een aanzienlijke verbetering.

Een weinig geliefd menu
Ook het eten was niet voor iedereen een genoegen. De maaltijden werden buiten aan lange houten tafels genuttigd. Volgens de oorspronkelijke beschrijving werd er viermaal per dag gegeten en was er vrijwel altijd thee beschikbaar.
Toch waren er klachten over de eentonigheid van het menu. Vooral de grote hoeveelheden lamsvlees vielen niet bij iedereen in de smaak.
Een militair herinnerde zich:

‘Weken achtereen kregen de kieskeurige Hollanders niets anders te eten dan stamppot met lamsvlees, waarop geel schapenvet dreef.’

Een andere militair vatte zijn gevoelens nog korter samen:

‘Ik heb geen hekel aan schapen, maar ik kan die beestjes niet meer zien!’

Foto links op de voorgrond politietroepen, nog gekleed in het Nederlandse grijze uniform. Aan de houten tafels werden ook de maaltijden genuttigd.

De herinneringen laten zien dat de maaltijden niet door iedereen op dezelfde manier werden gewaardeerd. Waar de een vooral blij was dat er voldoende te eten was, ergerde de ander zich aan de steeds terugkerende gerechten.

Een kapper voor duizenden mannen
Ook voor de persoonlijke verzorging waren de voorzieningen beperkt. Volgens de oorspronkelijke website was er slechts één kapper voor ongeveer tweeduizend tot drieduizend mannen. Wie zijn haar wilde laten knippen, moest dus rekening houden met een lange wachttijd.
De combinatie van tenten, eenvoudige wasgelegenheden en beperkte voorzieningen maakte duidelijk dat Dan-y-Craig in eerste instantie vooral bedoeld was als tijdelijke opvang. Het kamp was geen comfortabele verblijfplaats, maar bood de Nederlandse militairen wel de mogelijkheid om bij elkaar te blijven en hun militaire opleiding te hervatten.

Marechaussees ontspannen even in Porthcawl

De eerste soldij
Op 22 juni 1940 werd voor het eerst soldij uitbetaald. Volgens de oorspronkelijke website bedroeg deze drie shilling per dag.
Voor de militairen betekende dit dat zij weer over enig eigen geld beschikten. Dat was van belang toen zij later meer vrijheid kregen om naar het stadje te gaan en daar iets te kopen of tijd door te brengen.
Het verblijf in Porthcawl bestond echter niet alleen uit ongemak en wachten. De militaire opleiding werd hervat, er werden sportdagen georganiseerd en de mannen kregen geleidelijk meer gelegenheid voor ontspanning. Ook het contact met de plaatselijke bevolking zou in de daaropvolgende periode een steeds grotere rol gaan spelen.

Ontspanning en contact met de bevolking
Ondanks de militaire discipline en de soms moeilijke omstandigheden was er ook ruimte voor ontspanning. De militairen zochten afleiding in sport, ontmoetingen met anderen en activiteiten buiten de dagelijkse dienst.
Het contact met de plaatselijke bevolking verliep niet voor iedereen op dezelfde manier. In het begin waren de beperkingen streng, maar later ontstonden er contacten met inwoners van Porthcawl.
Een militair herinnerde zich met een knipoog hoe de Nederlanders zich voorstelden:

‘De bevolking was aardig. Als ze ons vroegen: “Are you Dutch?” zeiden we: “Nee, Hollanders!” Dutch klonk ook zo Duits.’

Een andere herinnering betreft een kerkdienst op 16 juni:

‘Op 16 juni heb ik de heilige Mis bijgewoond in een Clarissenklooster in Newton, waar ik zelfs de Mis heb gediend. In de openlucht was in de tuin een altaar opgesteld. Een Franse priester heeft ons toegesproken.’

Deze herinneringen geven een beeld van het leven buiten de militaire oefeningen. Voor meer informatie over de vrijetijdsbesteding en het sociale leven zijn er afzonderlijke pagina's.

Lees hier over de Engelse les in dit kamp
Lees hier over het plaatselijk vertier
Lees hier over de sportdagen in dit kamp
Lees hier over de kerkdiensten in dit kamp

Opleiding en oefeningen
Na aankomst in Porthcawl moest de militaire opleiding zo snel mogelijk worden hervat. De Nederlandse militairen waren afkomstig uit verschillende onderdelen en hadden tijdens de vlucht uit Nederland en Frankrijk veel van hun uitrusting verloren. Er moest opnieuw worden gewerkt aan hun conditie, militaire vaardigheden en onderlinge samenwerking.

De dag begon vaak met lichamelijke training, in het Engels aangeduid als physical training (PT). Deze bestond onder meer uit een veldloop. Daarna volgden Engelse les en wapenleer. Ook snelheidsmarsen en velddienst maakten deel uit van het programma.

Een Engelse officier gaf instructie over het gebruik van onder meer de Tommygun en de Molotov-cocktail. Daarnaast werden demonstraties gehouden met de Bren Gun Carrier, een licht rupsvoertuig dat voor verschillende militaire taken kon worden ingezet.

De opleiding verliep niet altijd gemakkelijk. Er was aanvankelijk een tekort aan wapens en munitie en de militairen moesten wennen aan de Britse voorschriften. Toch vormden de oefeningen een belangrijke stap in de ontwikkeling van het Nederlandsch Legioen.

Om de conditie op peil te houden, werden ook sportdagen gehouden. Deze boden de militairen niet alleen lichamelijke inspanning, maar droegen ook bij aan het onderlinge contact.


De materiële situatie in september 1940

Parade van de Nederlandse troepen op 31 augustus 1940 bij hun hoofdkwartier, hotel Esplanade aan de boulevard in Porthcawl. De PAG-trekker is omgebouwd tot anti-tankvoertuig.

De parade van 31 augustus 1940
Op 31 augustus 1940 werd in Porthcawl een parade gehouden ter gelegenheid van de verjaardag van koningin Wilhelmina. De bijeenkomst bood de gelegenheid de Nederlandse troepen te presenteren en de verbondenheid met het Nederlandse koningshuis te benadrukken.
De verdere opbouw van het Nederlandsch Legioen
Het verblijf in Porthcawl stond in het teken van de opvang, opleiding en verdere organisatie van de Nederlandse militairen. De verschillende groepen moesten worden samengebracht in een eenheid met een duidelijke commandostructuur.
De verdere organisatie omvatte onder meer mobiele troepen, marechaussee-eenheden en een depotbataljon. Ook werden militairen ingezet voor bewakingstaken bij havens, industrieën en vliegvelden in Zuid-Wales.
Op 24 september 1940 was de organisatie van het Nederlandsch Legioen verder uitgewerkt. De aantallen en taken van de verschillende onderdelen worden afzonderlijk behandeld.

De Kampklok
Tijdens het verblijf in Porthcawl verscheen het weekblad De Kampklok. Het blad bood de Nederlandse militairen nieuws, informatie en ruimte voor bijdragen uit de eigen gelederen. Tegenwoordig vormt het een waardevolle bron voor het dagelijkse leven en de ontwikkeling van het Nederlandse detachement in Engeland.
De verschillende uitgaven, de ontwikkeling van het blad en de bijzondere nummers uit 1940 worden op een afzonderlijke pagina besproken.
Lees verder op de pagina De Kampklok.

Afscheid van Porthcawl
Het verblijf in kamp Dan-y-Craig kwam in het najaar van 1940 ten einde. Het kamp was niet geschikt om de militairen onder de bestaande omstandigheden gedurende de winter te huisvesten. Na maanden onder tentzeil te hebben geleefd, maakten de Nederlandse troepen zich op voor een nieuwe verplaatsing.
Op 2 oktober 1940 vertrokken de militairen uit Porthcawl naar Congleton, in het Engelse graafschap Cheshire. Daarmee kwam een einde aan hun verblijf in Dan-y-Craig en begon een volgende fase in de opbouw van de Nederlandse strijdmacht in Groot-Brittannië.
Lees verder op de pagina Afscheid van Porthcawl.

Terug naar de inhoud