Rekruten uit Midden-Oosten - Prinses Irene Brigade

Ga naar de inhoud

Rekruten uit Midden-Oosten

Rekrutering
Rekruten uit het Midden-Oosten

Het Palestijnse contingent
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden Nederlanders die zich buiten het bezette Nederland bevonden, opgeroepen om dienst te nemen bij de Nederlandse strijdkrachten in Groot-Brittannië. Ook in het Midden-Oosten bevonden zich Nederlanders die zich bij de Prinses Irene Brigade konden aansluiten.
Een van hen was Abbie Lipschutz, die later zijn ervaringen tijdens de oorlog op papier zette. In een bijdrage aan De Vaandeldrager, nummer 43, beschreef hij hoe een groep van twaalf Nederlanders vanuit Palestina via Egypte en verschillende Afrikaanse havens naar Engeland reisde.
Zijn verhaal biedt een bijzondere inkijk in de omstandigheden waaronder deze relatief kleine groep Nederlanders zich bij de Nederlandse strijdmacht in Groot-Brittannië voegde.

Van Tel Aviv naar Suez
In juni 1943 kreeg een groep van twaalf Nederlanders in Palestina de oproep om in dienst te treden bij de Nederlandse strijdkrachten. Zij verzamelden zich op een warme dag bij het centrale busstation van Tel Aviv. De mannen kregen Britse uniformen aangemeten met op de schouder een embleem met de woorden Royal Netherlands Forces.
Vervolgens werden zij naar een doorgangskamp in Haifa gebracht. De omstandigheden waren er verre van aangenaam. Volgens Lipschutz wemelde het kamp van de bedwantsen.
In Haifa ontmoetten de Nederlanders ook Sovjetmilitairen die in Noord-Afrika door de geallieerden waren bevrijd. Zij waren tijdens de oorlog door de Duitsers als dwangarbeiders ingezet en waren op weg terug naar de Sovjet-Unie. Een groep van vijf mannen had een zangkoor gevormd. Zij zongen Russische volksliederen, waarbij Lipschutz hen op zijn kleine accordeon begeleidde.
Na drie dagen in het doorgangskamp vertrokken de Nederlanders per trein naar Egypte. Onderweg reisden zij samen met andere militairen, onder wie Britse en Indiase eenheden.
Bij de grens van de Gazastrook maakte Lipschutz kennis met de grote armoede waaronder een deel van de plaatselijke bevolking leefde. Het was voor hem een confronterende ervaring.
In Ismailia stapten de mannen over op een andere trein. Uiteindelijk bereikten zij Suez, aan de noordelijke punt van de Rode Zee. De hitte was overweldigend. De Nederlanders werden ondergebracht in tenten in de woestijn, waar zij overdag te maken kregen met zandstormen en 's nachts juist kou leden.
Lipschutz herinnerde zich dat er vrijwel iedere middag een hevige zandstorm opstak. De militairen kregen beschermende brillen om hun ogen tegen het opwaaiende zand te beschermen. Ondanks de warmte hadden zij 's nachts twee dekens nodig.

Aan boord van de Mauretania
Na vijf dagen in de woestijn konden de Nederlanders aan boord gaan van de Britse troepentransporter Mauretania. Dit grote passagiersschip van de Cunard Line was tijdens de oorlog voor militair transport ingezet. Het schip kon duizenden militairen vervoeren.
De Nederlandse groep bestond uit twaalf man. Zij vormden slechts een klein onderdeel van de ongeveer zevenduizend militairen die volgens Lipschutz aan boord waren. Onder de opvarenden bevonden zich Australiërs, Nieuw-Zeelanders, Britse militairen, Sikhs, andere Indiase militairen, Tsjechen en Canadezen.
Het schip was voor de oorlog een passagiersschip geweest, maar was nu ingericht voor troepentransport. De mannen sliepen in hangmatten in het ruim. Tijdens de passage door de Rode Zee verbleven veel militairen 's nachts aan dek.
Het leven aan boord kende zijn eigen ritme. Sommige militairen speelden kaart, terwijl anderen zich met spelletjes vermaakten. Ook de twaalf Nederlanders moesten zich aan de militaire discipline houden.
Volgens Lipschutz kreeg een reserve-sergeant het bevel over hun groep. Deze nam zijn taak bijzonder serieus en liet de mannen zelfs aan boord gymnastiek en exercitieoefeningen uitvoeren. Dat leidde tot ergernis bij de andere opvarenden, die met duizenden op het schip verbleven.
De reis verliep niet zonder ongemakken. Toen het schip verder naar het zuiden voer en Madagaskar bereikte, kregen de militairen te maken met aanzienlijk lagere temperaturen. Bovendien bleken de hangmatten en de verblijfsruimten vol bedwantsen te zitten.
Het schip voer met hoge snelheid en veranderde regelmatig van koers. Volgens Lipschutz gebeurde dat om het risico op aanvallen door Duitse onderzeeboten te verkleinen.

Kaapstad: een tussenstop met geheimhouding
Een belangrijke tussenstop was Kaapstad in Zuid-Afrika. De militairen kregen gelegenheid om aan wal te gaan en de stad te bekijken.
Lipschutz maakte van de gelegenheid gebruik om samen met zijn medesoldaat Sol Schwarz met de kabelbaan de Tafelberg op te gaan. Hij beschreef de stad als mooi en het klimaat als aangenaam fris.
De mannen kregen echter nadrukkelijk te horen dat zij niet mochten vertellen waar zij vandaan kwamen, waar zij naartoe reisden of hoe hun schip heette. In oorlogstijd waren dergelijke voorzorgsmaatregelen van belang. Informatie over troepenbewegingen en scheepsroutes kon immers van militaire waarde zijn voor de vijand.
Tijdens het verblijf in Kaapstad werd het schip bovendien bevoorraad. Er kwamen ook nieuwe militairen aan boord, onder wie een groot contingent Zuid-Afrikaanse soldaten, die in het verhaal als Springboks worden aangeduid.
Lipschutz herinnerde zich een bezoek aan een Nederlands gezin. Tijdens het theedrinken ontstond een komische situatie doordat een van de Nederlandse militairen een opmerking over de witte kat van de gastvrouw maakte die verkeerd werd begrepen. Het voorval bleef hem kennelijk lang bij.

Via Freetown naar Engeland
Na het vertrek uit Kaapstad vervolgde de Mauretania haar reis naar het noorden. Het schip maakte een tussenstop in Freetown, in Sierra Leone, waar het opnieuw werd bevoorraad en brandstof innam.
Lipschutz beschreef de tropische warmte en de aanhoudende regen. De combinatie van vocht, warmte en de gebrekkige leefomstandigheden aan boord maakte de reis zwaar.
Na ongeveer zes weken reizen vanuit Egypte bereikte het schip uiteindelijk Liverpool. Daarmee kwam een lange tocht langs verschillende delen van Afrika ten einde.
De Nederlandse militairen werden vervolgens naar Wolverhampton gebracht, waar zij zich bij de Nederlandse strijdkrachten in Groot-Brittannië voegden.
Bij aankomst werden hun bagage en kleding gecontroleerd. De bedwantsen die tijdens de zeereis in hun spullen waren terechtgekomen, veroorzaakten opnieuw problemen. Volgens Lipschutz moesten de mannen hun bezittingen afstaan, waarna deze werden vernietigd. Ook moesten zij een behandeling ondergaan om de insecten te verwijderen.

De opleiding in Engeland
In Wolverhampton begon voor de Nederlanders de militaire opleiding. Lipschutz was daar niet bijzonder enthousiast over. Hij vond sommige oefeningen ouderwets en weinig bruikbaar voor de moderne oorlogvoering.
De opleiding had volgens hem echter wel een belangrijk resultaat: de mannen werden lichamelijk sterk en leerden omgaan met de zware omstandigheden die hun later aan het front te wachten stonden.
Lipschutz benadrukte dat soldaten moesten leren om onder vrijwel alle omstandigheden te rusten. Tijdens gevechtsoperaties was slaap vaak schaars en konden militairen dagenlang achtereen wakker worden gehouden.
Ook beschreef hij de onaangename omstandigheden tijdens beschietingen. De schuttersputten waarin de soldaten dekking zochten, waren vaak donker, vochtig en vol muggen. De sanitaire voorzieningen bestonden uit eenvoudige open latrines.
Zijn herinneringen laten zien dat het militaire leven niet uitsluitend bestond uit gevechten en heldhaftige momenten. Ook verveling, vermoeidheid, slechte hygiëne en de dagelijkse ongemakken hoorden bij het bestaan van een militair.

Van het Midden-Oosten naar de Prinses Irene Brigade
De reis van de twaalf Nederlanders was onderdeel van een bredere inspanning om Nederlandse militairen en vrijwilligers uit verschillende delen van de wereld bijeen te brengen. De Nederlandse regering in ballingschap wilde een eigen militaire eenheid behouden die kon deelnemen aan de bevrijding van Europa.
De Koninklijke Nederlandse Brigade Prinses Irene was daarvoor een belangrijk symbool. Hoewel de Brigade aanzienlijk kleiner bleef dan aanvankelijk was beoogd, nam zij uiteindelijk deel aan de geallieerde opmars door Frankrijk, België en Nederland.
Abbie Lipschutz maakte deel uit van de Brigade en deed later ook mee aan de Israëlische Onafhankelijkheidsoorlog van 1948–1949. In zijn latere leven schreef hij verhalen en memoires over zijn ervaringen. Zijn publicaties vormen een persoonlijke aanvulling op de officiële geschiedschrijving van de Tweede Wereldoorlog.
Het verhaal van het Palestijnse contingent maakt duidelijk dat de mannen die zich bij de Prinses Irene Brigade aansloten niet allemaal rechtstreeks uit Nederland of uit bezet Europa kwamen. Sommigen legden duizenden kilometers af voordat zij hun opleiding in Engeland konden beginnen.
De herinneringen van Lipschutz bewaren daarmee een bijzonder hoofdstuk uit de geschiedenis van de Nederlandse strijdkrachten in ballingschap.

Bron: Abbie Lipschutz, The Palestine Contingent, gepubliceerd in De Vaandeldrager, nummer 43. De Nederlandse tekst op deze pagina is gebaseerd op zijn persoonlijke herinneringen.

Terug naar de inhoud