De reorganisatie van de Brigade - Prinses Irene Brigade

Ga naar de inhoud

De reorganisatie van de Brigade

Wolverhampton > Wrottesley Park
De reorganisatie van de Prinses Irene Brigade (1942–1943)

Een nieuwe koers
Kapitein Kist werd wegens overplaatsing naar Londen eervol  ontheven van zijn commando over het Pantserwageneskadron. Hij werd opgevolgd door Jhr. Beelaerts van Blokland. Hij was een enorm populaire officier en in de onderlinge gesprekken beter bekend als 'Mickey'. (naar de stripfiguur van Walt Disney)

Op 16 december 1942 deelde de minister van Oorlog aan de Prinses Irene Brigade mee dat per 1 januari 1943 een reorganisatie zou plaatsvinden. De Brigade zou worden omgevormd tot een gemotoriseerde eenheid.
De reorganisatie was het gevolg van de problemen waarmee de Brigade al langere tijd kampte. Het was niet gelukt om de oorspronkelijk beoogde sterkte van 3.000 tot 5.000 man te bereiken. Door uitzendingen, overplaatsingen en opleidingen elders was de beschikbare personele sterkte sterk teruggelopen.
Binnen de Brigade bestond het idee dat kleinere Nederlandse eenheden beter inzetbaar zouden zijn wanneer ze bij Britse onderdelen werden ingedeeld. De Nederlandse regering hield echter vast aan het behoud van een herkenbare, zelfstandige Nederlandse eenheid binnen de geallieerde legers.
De reorganisatie moest ervoor zorgen dat de Brigade als zelfstandige formatie kon blijven bestaan en tegelijkertijd beter geschikt werd voor militaire operaties.

De nieuwe organisatie
Na de reorganisatie bestond de Prinses Irene Brigade uit de volgende onderdelen:

De Brigadestaf – code 109
De Brigadestaf omvatte de verbindingsdienst (Signals), de medische dienst, het hoofdkwartier en de administratie, de inlichtingendienst, de geestelijke verzorging en de politietroepen.
De politietroepen droegen een eenvoudige rode armband met de letters M.P., de afkorting van Military Police. Voor dit onderdeel werd de afzonderlijke code 119 gebruikt.

Bron foto:  Burton Sanders  (omcirkeld op bovenstaande foto)

Drie zelfstandige gevechtsgroepen – codes 110, 111 en 112
De Brigade kreeg drie zelfstandige compagnieën, die als gevechtsgroepen (fighting units) werden aangeduid. Elke gevechtsgroep bestond uit een sterk infanteriegedeelte en ondersteunende wapens, waaronder mitrailleurs, mortieren, antitankgeschut en luchtdoelgeschut.
De gevechtsgroepen waren zo georganiseerd dat zij zelfstandig konden optreden. Iedere groep beschikte over een A- en B-echelon voor onder meer herstel en onderhoud van voertuigen. Ook de keuken, watervoorziening, wapenkamer, foerier en administratie waren hierin ondergebracht.
Dankzij deze eigen voorzieningen konden de gevechtsgroepen in beginsel zelfstandig opereren.

De B-echelon van gevechtsgroep III in Oerle, november 1944 , met o.a.linksachter Van Liere, tweede midden Sepers, zevende midden Sloots, rechtsachter De Groof (Bron foto T. Sloots)

De verkenningsafdeling – code 138
De verkenningsafdeling, ook bekend als de Recce, beschikte over gevechtswagens, scoutcars en carriers. Zij kon zelfstandig optreden, maar ook de gevechtsgroepen ondersteunen wanneer deze in groter verband opereerden.
De verkenningsafdeling speelde daarmee een belangrijke rol bij het verzamelen van informatie over het terrein en de vijand.

                                   De brencarrier en daaronder de scoutcar

De Brigade beschikte over een batterij veldartillerie met 25-pounderkanonnen van 8,76 cm. Aanvankelijk omvatte de batterij vier stukken; later, op het Europese vasteland, zou dit aantal worden uitgebreid tot zes.
De artillerie beschikte over een omvangrijke eigen staf en kon zelfstandig opereren. Voor dit onderdeel moest de organisatie grotendeels opnieuw worden opgebouwd. Uit de aanwezige artilleristen werd een detachement gevormd, waarvan de officieren bij een Brits onderdeel werden geplaatst. Het personeel kreeg een opleiding en nadat het materieel was aangekomen, werd de batterij geformeerd.
De praktische opleiding en schietoefeningen komen in het volgende hoofdstuk uitgebreider aan bod.

De Brigadetrein – code 118
De Brigadetrein was verantwoordelijk voor de aanvoer van levensmiddelen, munitie en brandstoffen. Zonder deze bevoorrading konden de gevechtsgroepen niet langdurig zelfstandig optreden.

De aanvullingstroepen, aangeduid als Reinforcement, vormden de reserve waaruit de Brigade personeel kon aanvullen.

De herstellingsafdeling en het Depot
De herstellingsafdeling werd later bij de Brigadestaf ingedeeld.
Het Depot werd bij de reorganisatie van de Brigade weggehaald en kwam rechtstreeks onder bevel van de Inspecteur Nederlandse Troepen (INT).
Hiermee werd een duidelijker onderscheid gemaakt tussen de operationele Brigade en het onderdeel dat verantwoordelijk was voor het depot en de personele aanvulling.

Een Brigade in naam en in werkelijkheid
Hoewel de eenheid de naam Prinses Irene Brigade droeg, kwam haar personele sterkte niet overeen met die van een standaard Britse brigade. De beschikbare mankracht was eerder vergelijkbaar met die van een bataljon.
Toch was de keuze voor de benaming brigade bewust. Alleen een eenheid met de status van brigade kon als zelfstandige formatie deelnemen aan de geallieerde operaties voor de herovering van Europa. Een bataljon zou automatisch onder een Britse brigade vallen en daarmee zijn zelfstandigheid verliezen.
Zowel de Nederlandse regering als de geallieerden zagen het belang in van een herkenbare Nederlandse eenheid op het Europese strijdtoneel. Daarom bleef de Brigade, ondanks haar beperkte omvang, als zelfstandige formatie bestaan.

De totale sterkte bedroeg volgens de oorspronkelijke geschiedschrijving 1.205 personen, ongeveer een derde van een Britse brigade. Toch kreeg de Prinses Irene Brigade opdrachten die bij een brigade hoorden en niet bij een bataljon.
Britse bevelhebbers zouden daarop volgens de oorspronkelijke tekst kortweg hebben geantwoord:

“A brigade is a brigade. Next question.”

De strekking was duidelijk: de Brigade moest de opdrachten uitvoeren die haar werden gegeven, ondanks het verschil in omvang met een Britse brigade.

Het einde van het pantserwageneskadron
De reorganisatie had ook ingrijpende gevolgen voor het pantserwageneskadron. Voor eskadronscommandant jhr. Beelaerts van Blokland betekende de reorganisatie dat zijn eenheid werd opgeheven.
Kapitein Kist was wegens zijn overplaatsing naar Londen eervol ontheven van het commando over het eskadron. Hij werd opgevolgd door jhr. Beelaerts van Blokland, die bij de manschappen zeer populair was. In de onderlinge gesprekken stond hij bekend als ‘Mickey’, naar de stripfiguur van Walt Disney.

Pantserwageneskadron met op de tweede plaats van links ‘Mickey’.

Jhr. Beelaerts van Blokland (rechts) in gesprek met de Britse generaal Waterhouse.

Het eskadron bestond voor een groot deel uit enthousiaste marechaussees. De sfeer was goed en er werd veel geoefend. De oefeningen strekten zich regelmatig over grote afstanden uit. Vooral de schietoefeningen in de Black Mountains, het bergachtige gebied in Wales, waren populair.

De Recce in The Black Mountains, met links bovenaan en vooraan in het midden Daan van de Velde (Bron Van den Haak)

Tijdens een van de eerste schietoefeningen ging het echter mis. Een van de betrokkenen herinnerde zich:

‘Tijdens een van de eerste schietoefeningen in The Black Mountains, kwamen we erachter dat we vier schapen hadden gedood. De commandant vond het erg vervelend, maar de chief of police zat er niet mee, want de Polen hadden er een week van tevoren twintig gedood....’

De combinatie van militaire oefeningen en uitstapjes om de omgeving te bekijken werd door de manschappen gewaardeerd. De leden van het pantserwageneskadron droegen bovendien een zwarte baret, die afweek van de traditionele groene baret.
De opheffing van het eskadron betekende dat een groot deel van de marechaussees over de gevechtsgroepen werd verdeeld. Zij kwamen daardoor onder het bevel van jonge militaire politiemannen, die volgens de oorspronkelijke tekst snel promotie hadden gemaakt.
De maatregel had grote gevolgen voor het moreel. Na afloop van de afscheidsparade trok het gehele eskadron door het kamp, terwijl de mannen met hamers op de stalen voertuigen sloegen. Het lawaai was enorm.
Een van de betrokkenen herinnerde zich:

‘Dat lawaaimaken was een rouwbetoon, iedereen was er kapot van dat het eskadron werd opgeheven.’

De herinnering maakt duidelijk dat de reorganisatie niet alleen een organisatorische verandering was. Voor de militairen betekende zij ook het verlies van een hechte eenheid waarmee zij zich sterk verbonden voelden.

Een 'buitgemaakte' schaap met motorrijder Chris Duysters en mannen van de Recce


Leavepass van Daan van de Velde. Met dank aan Olivia Hielkema.


Een scoutcar bij oefeningen van de Brigade in 1943 Bron: Wikimedia Commmons

De Brigade wordt gemotoriseerd
Het pantserwageneskadron verdween, maar de Brigade werd wel degelijk gemotoriseerd.
Iedere gevechtsgroep werd uitgerust met 22 Bren- en Loydcarriers. De verkenningsafdeling kreeg moderne Daimler-verkenningswagens, de zogenoemde Dingo’s.
De motorisering veranderde de manier waarop de Brigade zich kon verplaatsen en optreden. De gevechtsgroepen beschikten voortaan over eigen voertuigen en ondersteunende middelen waarmee zij zich als mobiele eenheden konden verplaatsen.

Voor de artillerie moest een geheel nieuwe organisatie worden opgebouwd. De officieren werden bij een Brits onderdeel geplaatst, het personeel kreeg een opleiding en na aankomst van het materieel werd de batterij samengesteld. Van 16 maart tot 26 september 1943 oefende de batterij bij een Brits onderdeel en kreeg zij de noodzakelijke praktische schietopleiding.
Om de Brigade uit het kampleven te halen, werden verschillende eenheden volgens Britse werkwijzen geoefend en bij vergelijkbare Britse onderdelen gedetacheerd. De Brigadestaf bleef echter op Wrottesley Park.

Op weg naar de oefeningen
Met de reorganisatie was een belangrijke stap gezet. De Brigade had een nieuwe organisatie, drie zelfstandige gevechtsgroepen, een verkenningsafdeling, artillerie en eigen ondersteunende onderdelen. Ook de motorisering werd in gang gezet.
De volgende stap was de opleiding in de praktijk. De verschillende onderdelen zouden naar Britse kampen en eenheden worden overgebracht om hun vaardigheden verder te ontwikkelen en ervaring op te doen met grotere oefeningen.
In het volgende hoofdstuk volgen we de gevechtsgroepen, de verkenningsafdeling en de artillerie tijdens hun opleiding en oefeningen in Engeland in 1943.
Terug naar de inhoud