Inzet in land van Maas en Waal - Prinses Irene Brigade

Ga naar de inhoud

Inzet in land van Maas en Waal

In Nederland
Inzet in het Land van Maas en Waal
De Prinses Irene Brigade in Nederland – september en oktober 1944

De eerste verkenningen
Na de aankomst in Grave kreeg de Prinses Irene Brigade steeds meer taken in het gebied ten zuiden van de grote rivieren. Het Land van Maas en Waal was bevrijd, maar de Waal vormde nog altijd de frontlinie. Aan de overkant bevonden zich Duitse troepen die regelmatig probeerden de geallieerde posities binnen te dringen. De bevolking leefde daardoor nog steeds onder grote dreiging.
Op 25 september 1944 voerde de verkenningsafdeling, ook wel de Recce genoemd, een verkenning uit in het Land van Maas en Waal. Tijdens deze tocht werden achttien NSB'ers aangehouden, die in de oorspronkelijke beschrijving worden aangeduid als Nederlandse SS'ers.
Een dag later bezette de verkenningsafdeling een observatiepost in Druten. Vanuit deze post konden de bewegingen van Duitse troepen in de omgeving van Ochten en Kesteren worden waargenomen.

In de buurt van Druten

De Duitse infiltraties nemen toe
Op 28 september had de verkenningsafdeling het noordelijkste gedeelte van het Land van Maas en Waal onder haar hoede. In een steenfabriek in Druten werd een observatiepost ingericht. Deze post was alleen overdag bezet. 's Nachts maakte men gebruik van een luisterpost in Deest.
De Duitse troepen bleven ondertussen proberen de Waal over te steken. Elf Duitse militairen en drie Nederlandse SS'ers kwamen met het Tielse veer naar de zuidelijke oever. Al schietend drongen zij door tot in Alphen en maakten veertien fietsen buit.
In dezelfde nacht werd de Waalbrug bij Nijmegen ernstig beschadigd door Duitse kikvorsmannen. Naar aanleiding daarvan werd extra waakzaamheid bij de bruggen in Grave bevolen. Het bewaken van de bruggen was van groot belang: beschadiging ervan kon de aanvoer van geallieerde troepen en materieel ernstig hinderen.
Op 29 september schoot de Irene Brigade een roeiboot met twaalf Duitse militairen lek. Volgens de oorspronkelijke beschrijving verdronken elf opvarenden. Eén man wist zwemmend naar Ophemert te ontkomen.

West- Land van Maas en Waal, Bron: KNBPI-Gen-maj b.d. V.E. Nierstrasz

'Ook al is in de oorlog de dood een dagelijkse makker, zulke gevallen vergeet je nooit meer...'

De dood van sergeant H. Croonen
Op 30 september 1944 verloor de Brigade sergeant H.Croonen. Hij werd in de omgeving van het plaatsje Zeeland doodgeschoten door enkele Duitse militairen die daar nog achtergebleven waren.
Croonen was op zijn motor onderweg terug van zijn eerste bezoek aan zijn vrouw en dochtertje in Eindhoven. Na een lange periode van onzekerheid had hij zijn gezin eindelijk weer kunnen zien. Op de terugweg werd hem dat weerzien fataal.

Voor een uitgebreider overzicht van de gevechten en schermutselingen in deze streek is er een afzonderlijke pagina beschikbaar. Klik hier.

Duitse strooptochten in Wamel
Op 1 en 2 oktober rapporteerde de verkenningsafdeling Duitse strooptochten in Wamel. Daarbij werden burgers gevangen genomen en ongeveer dertig huizen in brand gestoken.
De Duitsers maakten bij deze acties gebruik van een pontveer, dat in de oorspronkelijke beschrijving De Pico wordt genoemd en bij Tiel lag. Het veer werd door vuur van de Britse Life Guards tot zinken gebracht.
Hoewel het gebied op papier al bevrijd was, betekende dit niet dat de inwoners veilig waren. De Duitsers konden vanuit de noordelijke oever van de Waal nog steeds overvallen uitvoeren en de dorpen aan de zuidzijde terroriseren.
Een herinnering aan het verblijf in Horssen laat ook een wat luchtiger kant van het militaire leven zien:

‘De officiersmess van de Brigade huisde in Horssen in de pastorie. De pastoor was daar erg bezorgd over zijn parketvloer...’

Maar de werkelijkheid in het gebied was allesbehalve luchtig. Een andere beschrijving verwoordt de situatie als volgt:

'Op papier was West-Maas en Waal sinds 3 oktober bevrijd, maar er was nog geen officiële geallieerde bezetting. Het hele gebied stond nog onder Duitse terreur van over de Waal.’

De verkenningsafdeling verplaatst naar Horssen
Op 5 oktober werd de verkenningsafdeling in haar geheel naar Horssen verplaatst. Van daaruit werden de patrouilles voortgezet. De omstandigheden waren eenvoudig: de Brigade bivakkeerde in een droge sloot en in een oude kerk.
Een dag later, op 6 oktober, kreeg de Brigade opdracht de bewaking van twee bruggen over het Maas-Waalkanaal bij Nijmegen over te nemen van de Poolse Parachutistenbrigade.
Gevechtsgroep II werd in Neerbosch gestationeerd en Gevechtsgroep III in Heumen. In dit gebied bevonden zich veel sluipschutters. Bovendien was de Duitse strijdmacht tegenover het Nijmeegse bruggenhoofd inmiddels sterker geworden.
De Brigade kreeg daarnaast de taak om de omgeving van Oss in de gaten te houden. De stad lag op dat moment in niemandsland. Er was geen Duitse bezetting in de stad, maar zowel Duitse als geallieerde troepen bevonden zich in de omgeving.
Dat leidde tot een opmerkelijke situatie. Zo konden geallieerden 's morgens de vleesfabrieken plunderen, terwijl Duitse militairen er 's middags eveneens hun slag sloegen. Aan deze onzekere situatie kwam enkele dagen later een einde, toen het Duitse 121e Legerkorps de spoorlijn ten westen van Oss bereikte en vervolgens de stad bezette.


Even  op de foto met de plaatselijke bewoners uit Oss (foto: C. Hijzeler)

De vergeldingsacties in Leeuwen
In de nacht van 6 op 7 oktober breidden de Duitse vergeldingsacties zich uit van Wamel naar Leeuwen. Rond 02.00 uur kwamen Duitse militairen aan land. Eerst werden wachtposten uitgezet. Daarna begon een andere groep met de vernielingen.
De Duitsers gooiden flessen met een groene vloeistof, in de oorspronkelijke beschrijving aangeduid als fosfor, door de ramen van woningen. De bewoners werden in hun nachtgoed de straat op gejaagd. Uiteindelijk brandden 47 huizen tot de grond toe af.
De gebeurtenissen maakten duidelijk hoe kwetsbaar de bevolking van het Land van Maas en Waal nog altijd was. De bevrijding had de Duitse dreiging niet weggenomen.
Een militair vertelde hoe hij tijdens een wachtwisseling aan de dood ontsnapte:

‘Bij Boven-Leeuwen had ik een wacht geruild met een andere soldaat. Ik lag net onder mijn deken of ik hoorde: “takketakketakketak”. En: “boem”. Een Duitser had de wachtpost beschoten en een granaat aan zijn gordel geraakt. Die ontplofte. Dat was de wacht die ik oorspronkelijk moest lopen. Ik heb echt geluk gehad.’

Een andere herinnering beschrijft hoe Duitse militairen de patrouilles in de gaten hielden:

‘Er waren twee staande patrouilles en zij waren een vast duo. Eén van de Duitsers wist blijkbaar van hun aanwezigheid, is de Waal overgevaren en heeft ze bij Boven-Leeuwen van de dijk geschoten.’

Ook over de dood van Arnoti zijn aangrijpende herinneringen overgeleverd:

‘Arnoti had de pech dat die Duitser de veiligheidspin van de handgranaat, die aan zijn riem hing, kapotschoot. Die granaat knalde uit elkaar.’

'Bij Boven-Leeuwen had ik een wacht geruild met een andere soldaat. Ik lag  net onder mijn deken of ik hoorde: 'takketakketakketak'. En: 'boem'. Een  Duitser had de wachtpost beschoten en een granaat aan zijn gordel geraakt. Die  ontplofte. Dat was de wacht die ik oorspronkelijk moest lopen. Ik heb echt  geluk gehad.'

'Er waren twee staande patrouilles en zij waren een vast duo. Eèn van de Duitsers wist blijkbaar van hun aanwezigheid, is de Rijn overgevaren en heeft ze bij Boven-Leeuwen van de dijk geschoten.'

Twee verkenners sneuvelen bij Boven-Leeuwen
In dezelfde nacht van 7 oktober 1944 sneuvelden twee militairen van de verkenningsafdeling: M. Kroon en R. Arnoti. Zij liepen tijdens een patrouille op de dijk bij Boven-Leeuwen in een Duitse hinderlaag.
Hun dood was een zware slag voor de Brigade. De patrouilles waren noodzakelijk om de Duitse bewegingen te volgen en de bevolking te beschermen, maar brachten de militairen voortdurend in gevaar.
Nog diezelfde middag vond een plechtige begrafenis plaats op de Nederlands-Hervormde begraafplaats in Horssen. De plaatselijke bevolking toonde haar medeleven door voor veel bloemen te zorgen.
De patrouilles langs de Waal bleven doorgaan. De militairen probeerden de Duitse posities aan de overzijde zo goed mogelijk in de gaten te houden. Daarbij ontstond een voortdurende strijd op kleine afstand, waarbij beide kanten elkaar bestookten.
Een brigadist beschreef het als volgt:

‘Hier speelden we kat en muis met de Duitsers, die aan de andere kant van de Waal lagen, in de steenfabrieken. Je kon bijna zien wat die lui 's morgens bij het ontbijt aten en wij zorgden dat ze er ook nog hagelslag bij kregen.’

Artillerie naar Horssen
De grote brandstichting aan de Leeuwense dijk maakte duidelijk dat de bevolking in deze streek niet langer aan haar lot kon worden overgelaten. De plaatselijke Ordedienst was volgens de oorspronkelijke beschrijving onvoldoende geoefend en slecht bewapend om de Duitse acties zelfstandig tegen te gaan.
Daarom werd de artilleriebatterij onmiddellijk van Grave naar Horssen overgebracht. De batterij kwam onder bevel te staan van het Britse 79th Field Regiment, Royal Artillery.
In de daaropvolgende dagen vuurden de artilleristen ongeveer 1.300 projectielen af op steenfabrieken en dorpen ten noorden van de Waal. Het doel was de Duitse posities en steunpunten aan de overzijde van de rivier onder vuur te nemen en verdere aanvallen tegen te gaan.

Bezoek van Prins Bernhard en generaal Ritchie
Op 8 oktober bracht Prins Bernhard onder meer in Leeuwen een bezoek aan de Brigade. Tijdens dat bezoek sprak hij zijn bezorgdheid uit over de situatie in Noord-Nederland.
Voor de militairen die familie hadden in het nog bezette deel van Nederland was het moeilijk te verdragen dat zij zo dicht bij huis waren, terwijl ze niet wisten hoe het hun dierbaren verging. De verhalen over de Duitse terreur maakten die onzekerheid nog groter.
Ook generaal Ritchie van het XIIe Legerkorps bezocht die dag de Brigade. Hij deelde mee dat de eenheid bij zijn korps zou worden ingedeeld.
Een brigadist verwoordde de onzekerheid over zijn familie als volgt:

‘Je vroeg je steeds af, wat vind ik straks als ik weer naar huis toe ga? In Engeland kreeg je nog wel eens een telegram via het Rode Kruis, maar je wist tenminste dat ze nog leefden.’

Versterking uit het Nederlandse verzet
Op 10 oktober werd de Irene Brigade, samen met Engelse troepen, versterkt met ongeveer 150 leden van de ondergrondse uit Eindhoven. Deze jongemannen waren tijdens de geallieerde opmars actief geworden binnen de knokploegen, doorgaans aangeduid als de KP.
Op de Leenderheide bij Eindhoven waren zij onder anderen door de latere KNIL-kapitein Raymond Westerling, bijgenaamd de Turk, geoefend in het omgaan met wapens.
Aanvankelijk vormden zij geen reguliere militaire eenheid. Zij droegen geen uniformen, hadden geen duidelijke militaire hiërarchie en hadden zich grotendeels spontaan rond een leider georganiseerd. De oorspronkelijke beschrijving noemt hen een ‘triggerhappy groep’, omdat zij vooral 's nachts snel geneigd waren te schieten op alles wat bewoog.
Niet iedereen in het Land van Maas en Waal was aanvankelijk gelukkig met de komst van deze gewapende Brabanders. Dat veranderde toen zij uniformen kregen en werden ingedeeld bij de 7e compagnie Stoottroepen. Vooral in Beneden-Leeuwen werden zij daarna door de bevolking op handen gedragen.
Gegevens: Johan van Os, Puiflijk.

Dicht bij huis, maar nog steeds onzeker
De militairen van de Irene Brigade bevonden zich inmiddels op Nederlandse bodem, soms op betrekkelijk korte afstand van hun woonplaatsen. Toch was er voor velen weinig zekerheid over het lot van hun familie en vrienden. Het gebied waar zij verbleven was bevrijd, maar de gevechten en Duitse acties maakten duidelijk dat de oorlog nog lang niet voorbij was.
Voor de Joodse brigadeleden was die onzekerheid extra zwaar. Ongeveer twintig procent van de brigadeleden was Joods. Zij hoorden van de plaatselijke bevolking wat er met de Joden in Nederland was gebeurd.
De herinnering aan die periode eindigt met de volgende woorden:

‘Al was je nog zo dicht bij huis, het lot van je familie en vrienden was geheel onduidelijk. Vooral de joodse brigadeleden (ongeveer 20%) hadden het dubbel zo zwaar, want zij hoorden hier van de bevolking wat de joden in Nederland was overkomen.’

De inzet in het Land van Maas en Waal betekende voor de Prinses Irene Brigade een periode van voortdurende patrouilles, bewaking en confrontaties met Duitse infiltraties. De militairen moesten niet alleen strategische verbindingen beveiligen, maar ook proberen de bevolking te beschermen tegen overvallen en vergeldingsacties.
De bevrijding was begonnen, maar voor de inwoners langs de Waal en voor de mannen van de Brigade bleef het gevaar dagelijks aanwezig.
Terug naar de inhoud