Gerry van Doorn in Ned. Indië
Biografieën oud-leden
Gerry naar Indië

Gerry tijdens het vertrek (Bron: F. van Doorn)

Langs het Suezkanaal (Bron: F. van Doorn)
Aan boord van de Sibajak (Bron: F. van Doorn)
Het hoofdkwartier (Bron: F. van Doorn)
Het restaurant (Bron: F. van Doorn)
Mijn collega’s en onze Baboe met haar familie (Bron: F. van Doorn)

Op weg naar Batavia
Inscheping en vertrek 29 november 1946.
Ik meldde mij in de morgen van 29 november bij de administratie. Mijn vriend Joop de Kapitein, was al per vliegtuig naar Batavia vertrokken en zou mij daar opvangen. Wij werden in een truck naar Rotterdam gebracht. Daar lag de MS Sibajak aan de Wilhelminakade voor de inscheping te wachten. Mijn vrouw was per trein naar Rotterdam vetrokken. Toen wij in Rotterdam aankwamen, werd voor het station gestopt om opstopping aan de kade te voorkomen. Toen ik daar uitstapte zag ik mijn vrouw uit het station komen om per tram naar Vlaardingen te gaan. Zij ging naar een vriendin in Vlaardingen om daar op een steiger aan de waterweg de Sibajak voorbij te zien gaan. Het duurde niet lang toen wij de Wilhelminakade opreden voor de inscheping. Aan boord werd mij gevraagd of ik in een kajuit wilde of bij een groepje jongens in een klein ruim in het voorschip. Ik koos het kleine ruim, dat vlak onder het voordek aan bakboord bleek te zijn.
Het voorruim bleek inderdaad klein te zijn. Aan het plafond waren de leidingen van elektriciteit, stoom en water aangebracht en daaronder waren houten rekken voor het stouwen van onze uitrusting. Aan de rekken hingen de hangmatten die na een week buitengewoon van dienst zouden zijn. De tafels waren in de wand bevestigd met lange banken aan weerszijden van de tafels. In een hoek stond een lege oliedrum als toilet, die iedere dag op zee over de railing moest worden leeg gegooid, wat na een paar dagen makkelijker gezegd dan gedaan was. Wij vertrokken in het donker met de meeste schepelingen staande aan de railing. Verder op de waterweg, voeren vele bootjes en politieboten langszij, met vele mensen aan boord die afscheid kwamen nemen. De politieboten beschenen met sterke schijnwerpers de mensen aan de overzijde van de kade, zodat de soldaten aan boord met verrekijkers ze konden zien staan zwaaien.

MS Sibajak (Bron:KLM Foto)
Gerry tijdens het vertrek (Bron: F. van Doorn)Toen wij langs Vlaardingen voeren zag ik op een steiger een grote witte lap zwaaien. Ik vroeg aan een sergeant, die achter me stond om zijn verrekijker en daar doorheen kijkende zag ik dat het mijn vrouw was die met die witte doek stond te zwaaien, verlicht door een schijnwerper van een politieboot. Sleepboten sleepten de Sibajak de waterweg uit waarna het schip op eigen kracht de zee invoer. Het weer werd slechter naarmate wij verder de zee opvoeren Wij, in het kleine voorruim hoefden niet beneden in de grote eetzaal te eten, dat moesten wij zelf, in gamellen, uit de keuken halen. Iedere dag werden daar twee soldaten voor aangewezen. De hangmat was voor mij een weldaad in dat slechte weer en die ruwe zee, vooral toen wij door de Golf van Biskaje voeren op weg naar Gibraltar. Mij viel toen hetzelfde op als toen ik in 1942 op de Colombia naar de Oost ging. Er was niets om de soldaten bezig te houden. Geen training op het onderhoud van wapens, geen militaire instructieboeken om te lezen, en geen voorlichting over het leven in de tropen, wat wel nodig was omdat de meeste soldaten groen waren en niet wisten wat er voor hen in het verschiet lag. Het was voor hun gewoon een reisje naar Indonesië. Komende in de Middellandse Zee werd de Sibajak al vlug de Schobbejak gedoopt vanwege het hevige slingeren van het schip met zijn hoge opbouw. Tussen Sicilië en de Afrikaanse kust gebeurde een tragedie.
De Middellandse Zee
We schoven tussen het eiland Sardinië en de Afrikaanse kust door om ongeveer 7 uur in de morgen. Twee jongens, van de ploeg in het voorruim, waren naar de kombuis om de koffie, thee en brood te halen. Toen zij terug, door een lange gang, met de gamellen gloeiende hete koffie en thee, liepen en wij met ons allen aan de tafels op de banken zaten, begon het schip ineens ver over naar bakboord te hellen. Mijn instinct, opgedaan op mijn eerdere zee reizen in slecht weer, vertelde me dat het schip deze keer te ver over begon te hellen en ik schreeuwde tot de jongens om aan de rekken boven ons hoofd te gaan hangen. Daar hingen we als apen aan de bomen. Het schip helde zo ver over dat de toilet ton met een vaart onder ons langs gleed en met een klap tegen het wand aan vloog en de spoeling in de ton overal heen spatte. Het schip hing zover over dat ik bang begon te worden dat het niet meer overeind kon komen. Toen het eindelijk terugkwam en naar stuurboord begon over te hellen, vloog die afval ton weer onder ons door en kwam met een klap tegen de stuurboord wal. En de rest van de smerige afval spatte daar weer overal heen. Dat was gelukkig het einde van het hevige slingeren en we konden weer aan de tafels gaan zitten. De twee jongens waren op dat zelfde tijdstip in de lange gang met hun gamellen met gloeiend hete koffie en thee door dat heftig overhellen van het schip tegen de wanden aan geslagen en hadden de hete inhoud over hen heen gekregen. Een van de jongens was gewond, maar gelukkig niet ernstig.
De smerige, overall heen gespatte vieze inhoud van de ton, werd vlug schoon gemaakt. Dat had ons wel geleerd om die ton iedere morgen over de railing leeg te gooien, weer of geen weer, slingeren of niet slingeren. Verder op de morgen hoorden we wat er zoal in die grote eetzaal in het benedenruim was gebeurd. Aan beide zijden in dat ruim waren lange tafels en banken met een breed pad in het midden. De lange tafels waren aan de wanden geschroefd, maar de banken stonden aan beide zijden van de tafels los. De gamellen waren net op de tafels gezet en alle soldaten zaten aan de tafels toen het schip over begon te hellen. De jongens klampten zich aan de tafels vast om niet weg geschoven te worden. Toen het schip zo ver overhelde, was het gewicht van de jongens die aan die tafels hingen, te groot, met het gevolg dat die tafels aan stuurboord uit het wand werd gerukt en in de tafels aan bakboord schoven. De soldaten aan de tafels kregen de gamellen met gloeiend hete inhoud over hen heen. Toen het schip zich weer recht trok en naar stuurboord begon over te hellen, schoof de hele warboel naar de stuurboord wal. De soldaten die in paniek overeind konden komen, verdrongen zich aan de trap om maar zo vlug mogelijk op het bovendek te komen. Dat werd een groot gevecht van duwende en elkaar wegtrekkende soldaten, die zelfs op de gevallen soldaten stapten om maar op de trap en in veiligheid te komen. Hoe dat allemaal was begonnen, werd ons later verteld. De kapitein was niet op de brug en in zijn plaats was een jonge officier verantwoordelijk op de brug. Iemand op dek, zag een jongen door een overspoelende golf naar de railing drijven en schreeuwde: “Man overboord!”. De officier gaf bevel bij te draaien om die man op te pikken. Met het gevolg dat het schip in die hoge golven, dwars erop kwam te liggen en zwaar overhelde. Zo zwaar zelfs, dat gezegd werd, het niet veel scheelde of het schip had op haar zij gelegen en was niet meer teruggekomen en dan had het vaarwel geweest met alle mensen aan boord. Deze hele tragedie was het gevolg geweest van een vals alarm. Mij werd verteld dat er vier doden en vier zwaar gewonden waren met over de honderd lichtere gewonden. De gesneuvelde en zwaar gewonden werden op Malta afgezet. Vandaar ging de reis verder naar de haven van Port Said waar we voor anker gingen.
Port Said.
We arriveerden omstreeks 10-11 december in de drukke haven van Port Said. Verschillende schepen lagen voor anker, te wachten op hun beurt om door het kanaal te gaan. Het kanaal is kaarsrecht maar niet te breed. Twee schepen kunnen elkaar daarin niet passeren, dus moet een schip wachten tot het kanaal vrij is. Zodra een schip voor anker ligt, komen van alle kanten kleine bootjes rondom het schip met schreeuwende mannetjes die hun waren komen verkopen.

Parlevinkers in de haven van Port Said (Bron: F. van Doorn)
Vruchten maar ook allerlei waardeloze souvenirs. Een lang touw werd naar boven geworpen met aan het eind een mandje. Na veel afdingen doe je het geld in het mandje en laat het zakken, waarna de koopman het gekochte in het mandje doet die je dan weer naar boven moet hijsen. Er waren ook bootjes met kleine jochies die naar de munten doken die wij in het water gooide. Een goochelaar kreeg toestemming om aan boord te komen. Die kerel was ongelofelijk. Hij toverde tientallen levende kippen kuikentjes tevoorschijn. Van alle kanten uit zijn kleding kwamen ze te voorschijn.
Hij heeft ons zeker een uur op het dek beziggehouden. Hij was wel bekend bij de zeevaarders. Hij heeft zelfs later nog een toer door Europa gemaakt. Die stop in de haven van Port Said was een onvergetelijke gebeurtenis. Toen het moment van vertrek was aangekomen vroegen verschillende handelaren om het touw aan de railing vast te maken zodat zij door het schip door het kanaal naar Suez werden getrokken. Zo gingen zij op en neer door het kanaal en deden zaken aan beide zijden. Aan weerszijden van het kanaal lag een weg met daar naast een onafzienbare zandvlakte.
Langs het Suezkanaal (Bron: F. van Doorn)Zo nu en dan passeerden we een paar huisjes of een zwaar bepakte kameel die door een man aan een lijntje werd vastgehouden. Het kanaal is een prachtig stuk werk, maar vanwege het door de wind ingeblazen zand, moet het constant uitgebaggerd worden om het op diepte te houden. Na een dag voeren we langs Suez, de Rode Zee in. Het weer bleef nu prachtig en warm met een blauwe lucht. Op ongeveer 23 graden noord, passeerden we de Noorder Keerkring. Van Port Said tot de Golf van Aden zal het ongeveer 1200 mijl zijn. Het was in de Rode Zee, zittende op het voordek met de jongens, dat ik hen een beetje een idee begon te geven over het leven in de tropen. Ik vertelde hen dat ik daar verschillende jaren in de oorlog was geweest en vertelde dat het niet altijd zonder gevaren was, vooral op seksueel gebied, het voedsel en vooral het water. We hadden een genoeglijk praatje en natuurlijk vele vragen. De volgende dag echter werd ik verzocht om bij de commandant te komen. Daar werd mij verteld niet meer met de jongens over het leven in de tropen te praten, vooral niet over het seksuele leven en de gevaren.
Aan boord van de Sibajak (Bron: F. van Doorn)Toen ik hem vroeg waarom niet, vertelde hij dat de aalmoezenier hem had verzocht mij dat te verbieden, omdat een van zijn jochies daarover had geklaagd. Ik was stomverbaasd en vertelde hem dat die jongens nog zo groen waren en niet voldoende waren voorgelicht over wat hen te wachten stond. Ik had mijn orders en daarmee was het af. Ik had medelijden met de jongens omdat het gerucht de ronde deed dat 90% van de vrouwelijke inheemsen niet bepaald gezond was. Soekarno sprak dat heftig tegen, maar later bleek dat gerucht niet erg ver van de waarheid af te zijn. Ik liet dat later, aan een vriend van onze familie in een groot park zien. Het was onbegrijpelijk dat er geen voorlichting van welke aard dan ook was, noch conditietraining, noch wapeninstructie werd aan boord gegeven gedurende de reis, om de jongens een beetje bezig te houden. Het werd dan ook een zeereisje van verveling.
Wij voeren op een glad zeetje de Golf van Aden uit en kwamen langs het eiland Socrota waar een gedeelte van het 321 squadron gedetacheerd was geweest gedurende de oorlog. Het gaf me het gevoel van thuis komen en in stilte gaf ik het een militaire groet. Rustig varende voeren we onder Ceylon door. Daar had ik wel af willen stappen. Ik kreeg zowaar een gevoel van heimwee naar dat machtige mooie eiland, waar ik zoveel jaar had doorgebracht. Daarna voeren we naar de vrije haven van Sabang, vlak boven Sumatra, waar wij op 26 december voor anker gingen en het eiland bezochten. Het was een genot om weer onder de palmbomen te lopen en het vocht van de kokosnoten te drinken, ik was thuis. Daar vandaan vertrokken we de volgende dag naar Batavia, langs het eiland waar Soekarno en zijn maten voor de oorlog in de gevangenis hadden gezeten. We voeren langs de kust van Sumatra en kwamen op 30 december 1946 in Batavia aan.
Batavia 30 december 1946
Batavia, Java, Indonesia, het einde van een enorme rondedans over de halve wereld om dit doel te bereiken wat begon op 7 januari 1942 van uit Greenock, Schotland. Het doel was toen de deelname en vertegenwoordiging van een deel van het kleine Nederlandse Leger, voor de verdediging van ons koloniale gebied Nederlands-Indië. Nu was het de aankomst van de 7 December Divisie ter verdediging en uitvoering van de belofte van Koningin Wilhelmina voor een deelgenootschap in het Koninkrijk der Nederlanden. Het had mij twee lange zeereizen in stormen en gevaren gekost om eindelijk na vijf jaar, dicht bij de stad Batavia, voet aan land te zetten. Ik werd met nog een paar andere soldaten per vrachtwagen, van de Aanvoer en Afvoer troepen, in een konvooi naar het Hoofdkwartier gebracht. Gedurende die rit, reden we langs totaal verwaarloosde thee- en rubberplantages. De theestruiken stonden meters hoog en de rubberbomen waren gedurende de oorlog teveel afgetapt en gesneden. Vele inboorlingen op leeftijd stonden langs de weg ons met handgeklap te begroeten en welkom te heten. De jongeren echter waren niet zo enthousiast. Bij aankomst werd mij een grote kamer met twee veldbedden in een grote villa aangewezen.
Het hoofdkwartier (Bron: F. van Doorn)Een bed was al bezet door een sergeant van de Inlichtingen Dienst, die na kennismaking Leo bleek te heten. Het ontbijt de volgende morgen bleek een openbaring te zijn. Ze noemde het witte brood. Het wit was niet te zien vanwege de ontelbare kleine zwarte insecten, mee gebakken in het deeg. Mijn metgezellen aan de tafel zaten vol verwachting te kijken hoe ik zou reageren. Ik zat aan tafel in mijn korte tropenbroek en shirt zonder de kentekenen van wat en wie ik was. Ik had wel slechter voedsel in mijn diensttijd gegeten, maar dat wisten zij natuurlijk nog niet. Ik at dat brood alsof het iets heel gewoons was. Zij hadden natuurlijk iets anders van mij verwacht.
Het lokaal van de Inlichtingen Dienst was op de eerste verdieping van een groot kantoorgebouw met een aangrenzende kamer, afgescheiden door twee klapdeuren waar de Generaal Durst Brit zijn kantoor had. In het lokaal hing een grote map aan de muur van de hele omgeving van de demarcatie lijn rondom Batavia. De Inlichtingen Dienst bleek al voor een groot gedeelte vlot te lopen. De schriftelijke berichten van de velddienst en onderschepte radio berichten van vijandelijke posten.
En verborgen scherp gezette granaten, bamboe speren, enz. werden onmiddellijk op de kaart aangebracht.
Als wij door het voorraam naar buiten keken zagen wij tientallen jonge inboorlingen aan de overkant van de straat op hun hurken zitten tegenover de ingang van het hoofdkwartier. Wij wisten dat daar vele spionnetjes tussen zaten die natuurlijk doorgaven wie en wat in en uitging. De opdracht van politiek Den Haag was echter “handen thuis”. Er was een leider van de tegenpartij (geen vijand volgens Den Haag), die de vrijheidstrijders in Batavia overeind hield. Wij probeerden uit alle macht die knaap te pakken te krijgen. Dat bleek echter een vrij hopeloze taak te zijn, omdat volgens ons alle inboorlingen zoveel op elkaar leken. Tot op een gegeven dag hij door het kleine raampje in de gangdeur naar ons stond te kijken met een grote grijns op zijn gezicht. Het bleek dat hij vrije toegang had gekregen voor een onderhoud met de Generaal. Wij waren woedend, maar mochten daar niets aan doen. De jongens aan de demarcatielijn waren altijd in gevaar om beschoten of gevangen genomen te worden, met alle onmenselijke gevolgen van dien.
Maar de opdracht luidde nog steeds “handen thuis”.
Even rust (Bron: F. van Doorn)
Aan de kust (Bron: F. van Doorn)
Fruitverkoper (Bron: F. van Doorn)
Onze Baboe (Bron: F. van Doorn)
Achter de villa waar we sliepen was een snel stromende kali, een smal kanaaltje wat ook dienst deed als riool maar waar toch nog flinke vis boven water sprong. Mijn slapie, Leo en ik probeerden die vis te vangen met zelfgemaakte vistuig met een worm of stukjes vlees. Op een smal hangbruggetje staande, lieten we de lijn vieren en op een gegeven moment had ik beet en trok een klein schildpadje omhoog, waarvan de nek langer en langer werd toen hij boven water kwam. Wij riepen naar onze Baboe die vlug de haak uit de bek haalde en lachend het beest mee nam naar huis.
Er was ook een klein donker zeer vuil, soort restaurantje, net over de spoorrails, maar ik heb nooit meer zo een heerlijke bami goreng gegeten als daar.
Het restaurant (Bron: F. van Doorn)
Mijn collega’s en onze Baboe met haar familie (Bron: F. van Doorn)Leo en ik kregen een week vrij om naar Bandoeng met vakantie te gaan. s' Morgens vertrokken we met een DC 3 naar Bandoeng om wat af te koelen. Ik had bericht gekregen dat een vriend van mijn zwager ook soldaat naar Batavia over zou komen.
Ik heb hem op de kade verwelkomd en hem 's avonds het avondleven in de tropen laten zien. Samen uitgerust met een flinke Eveready lamp heb ik hem de kleine zielige jongetjes en meisjes in het park laten zien die met open zwerende wonden hun diensten voor een gulden, aan het verkopen waren. Ik vertelde hem dat de geslachtziekten door hen overgedragen voor ons dodelijk zouden zijn en het voor hem beter was van die diensten geen gebruik van te maken.

Een brief schrijven naar Rieny (Bron: F. van Doorn)
Feel good (Bron: F. van Doorn)
Op een dag kwam de generaal ons vertellen dat ons verblijf in Indië hopeloos was en wij door Den Haag zo aan banden waren gelegd dat wij ons niet meer konden verdedigen. De gehele situatie was nu zo geworden dat ik er genoeg van had en een verzoek schreef om mij naar huis terug te laten gaan. Mij werd verteld dat dat niet mogelijk was omdat ik voor drie jaar had getekend. Ik had echter niets getekend en volgens een wetgeving, kon ik door mijn langdurig dienstplicht in de oorlog in geallieerde dienst, overal ter de wereld op regeringskosten demobiliseren.
Tot grote verbazing van iedereen werd mijn verzoek toegestaan. Ik kreeg een plaats op de MS Maetsuyker en vertrok op 15 Mei 1947 uit Batavia naar Nederland. Op 13 juni kwam ik in Amsterdam aan en op 1 augustus werd mij groot verlof gegeven.
Op 1 juli 1950 werd ik overgeplaatst naar het Regiment Stoottroepen en op 10 oktober 1960 werd mij eervol ontslag uit de militaire dienst verleend. Na al die jaren van militaire dienst zouden dat twaalf moeilijke jaren in Nederland worden. Totdat mijn vrouw en ik het besluit namen om naar Canada te emigreren.
Nu 60 jaar na de Tweede Wereldoorlog en terugblikkend op al die jaren, mag ik zeggen dat ik geen spijt heb gehad van wat ik heb doorstaan in mijn leven. Ik ben er tevreden mee.
Nu 60 jaar na de Tweede Wereldoorlog en terugblikkend op al die jaren, mag ik zeggen dat ik geen spijt heb gehad van wat ik heb doorstaan in mijn leven. Ik ben er tevreden mee.